Stel dat Jan gehuwd is met Ann volgens het wettelijk stelsel en Jan een bouwgrond geschonken krijgt van zijn ouders ter waarde van 150.000 euro.

Het vervelend principe van 'natrekking'

Als Jan met zijn echtgenote Ann samen een woninglening aangaat en een huis bouwt, dan zet het koppel hun gezinswoning op een grond die eigendom is van Jan. Omwille van het burgerrechtelijke principe van natrekking, wordt de woning die op die grond staat ook eigendom van Jan.

Heel vervelend bij bijvoorbeeld een echtscheiding. Want bij ontbinding van het huwelijk is er weliswaar een zogenaamde vergoedingsregeling die erop neer komt dat het gemeenschappelijke vermogen aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding voor de bouwwerken die op de grond van Jan uitgevoerd werden.

Het is dus logisch dat Ann (en haar ouders) graag een pasklare oplossing zouden vinden voor hun probleem dat voor beide partijen aanvaardbaar is.

De inbreng als klassieke basisoplossing

De klassieke oplossing voor deze situatie bestaat erin dat de echtgenoten hun huwelijkscontract wijzigen. De geschonken bouwgrond van Jan wordt dan in de huwelijksgemeenschap ingebracht. Daardoor wordt het koppel samen eigenaar van de grond en dus ook van de gezinswoning die ze samen op die grond zullen bouwen en waarvoor ze samen een lening zullen afbetalen.

Zo'n een inbreng van een bouwgrond kan via een eenvoudige notariële akte en kost ongeveer 1200 euro. De fiscale kostprijs is te verwaarlozen, want er is enkel een vast recht van 50 euro te betalen.

Wat zijn de gevolgen bij echtscheiding?

Door de inbreng zit de grond én de gezinswoning op dat moment in de huwelijksgemeenschap. Dus op zich is dit zeker geen ideale oplossing.

Er bestaat een eenvoudige oplossing voor dit probleem. Jan kan in zijn huwelijkscontract opnemen dat er in geval van echtscheiding een terugname 'in waarde' is. Met zo'n beding krijgt Jan bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap ten gevolge van een echtscheiding eerst de waarde van die bouwgrond terug. Pas daarna wordt de rest van de huwelijksgemeenschap gelijk verdeeld over de twee partners.

In ons voorbeeld zou men de waarde van de bouwgrond kunnen nemen op het moment van inbreng _ 150.000 euro _ maar eigenlijk is dat nadelig voor Jan. Bij echtscheiding, 10 of 20 jaar na het huwelijk, is de grond wellicht sterk in waarde gestegen. Daarom is het aangewezen om in het huwelijkscontract op te nemen dat de waarde van de grond jaarlijks geïndexeerd wordt. (JS)