Het aantal gezinnen dat zegt een contract voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te hebben, zit al jaren in stijgende lijn. In 2014 ging het nog om een derde (34 procent) van de gezinnen, in 2020 is hun aandeel al gestegen tot 46 procent. Dat is evenveel als het aantal gezinnen dat dit jaar aangeeft een contract voor grijze stroom te hebben. Het overige deel, 9 procent, weet het niet.

De VREG vroeg gezinnen die geen groen contract hebben of ze dat in de toekomst wel zouden overwegen. Net niet de helft (49 procent) antwoordt daarop positief, terwijl 40 procent resoluut stelt geen groen contract te willen. De voornaamste redenen voor mensen om niet voor een groen contract te opteren, zijn een gebrek aan kennis, het geloof dat groene stroom duurder is en twijfels over het 'groene' aspect van de stroom.

Hoe dan ook blijft het leveren van groene stroom een belangrijke reden waarom gezinnen voor een bepaalde leverancier kiezen: voor 47 procent had het een invloed op de keuze. Het staat daarmee zelfs op de tweede plaats, na de prijs (82 procent) en voor de betrouwbaarheid (38 procent).

Het aantal gezinnen dat verandert van elektriciteitsleverancier blijft overigens hoog. Zeven op de tien zeggen dat ooit al gedaan te hebben. Tussen januari en juni 2020 ging het om bijna 16 procent van de gezinnen. Wisselen loont dan ook: in september bedroeg het prijsverschil tussen het gemiddelde en het laagste elektriciteitscontract 190 euro op jaarbasis. Op aardgas konden gezinnen gemiddeld zelfs 332 euro besparen door over te stappen naar het goedkoopste aanbod.

Uit de Marktmonitor blijkt ook dat gezinnen in de eerste helft van 2020 over het algemeen niet meer betalingsproblemen hadden door de coronacrisis. Zo geeft 67 procent van de gezinnen aan dat ze elektriciteitskosten nogal of zeer belangrijk vinden in hun budget, aanzienlijk minder dan vorig jaar (76 procent). Terwijl 23 procent de elektriciteitskosten in 2019 niet echt zo belangrijk of helemaal niet belangrijk vond, is dat aandeel gestegen naar 31 procent in 2020. 'De redenen zijn vermoedelijk lagere energieprijzen, maar mogelijk zijn de gevolgen van de coronacrisis nog niet doorgesijpeld gegeven de timing van de enquête', aldus de VREG.

Het aantal gezinnen dat zegt een contract voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te hebben, zit al jaren in stijgende lijn. In 2014 ging het nog om een derde (34 procent) van de gezinnen, in 2020 is hun aandeel al gestegen tot 46 procent. Dat is evenveel als het aantal gezinnen dat dit jaar aangeeft een contract voor grijze stroom te hebben. Het overige deel, 9 procent, weet het niet.De VREG vroeg gezinnen die geen groen contract hebben of ze dat in de toekomst wel zouden overwegen. Net niet de helft (49 procent) antwoordt daarop positief, terwijl 40 procent resoluut stelt geen groen contract te willen. De voornaamste redenen voor mensen om niet voor een groen contract te opteren, zijn een gebrek aan kennis, het geloof dat groene stroom duurder is en twijfels over het 'groene' aspect van de stroom.Hoe dan ook blijft het leveren van groene stroom een belangrijke reden waarom gezinnen voor een bepaalde leverancier kiezen: voor 47 procent had het een invloed op de keuze. Het staat daarmee zelfs op de tweede plaats, na de prijs (82 procent) en voor de betrouwbaarheid (38 procent).Het aantal gezinnen dat verandert van elektriciteitsleverancier blijft overigens hoog. Zeven op de tien zeggen dat ooit al gedaan te hebben. Tussen januari en juni 2020 ging het om bijna 16 procent van de gezinnen. Wisselen loont dan ook: in september bedroeg het prijsverschil tussen het gemiddelde en het laagste elektriciteitscontract 190 euro op jaarbasis. Op aardgas konden gezinnen gemiddeld zelfs 332 euro besparen door over te stappen naar het goedkoopste aanbod.Uit de Marktmonitor blijkt ook dat gezinnen in de eerste helft van 2020 over het algemeen niet meer betalingsproblemen hadden door de coronacrisis. Zo geeft 67 procent van de gezinnen aan dat ze elektriciteitskosten nogal of zeer belangrijk vinden in hun budget, aanzienlijk minder dan vorig jaar (76 procent). Terwijl 23 procent de elektriciteitskosten in 2019 niet echt zo belangrijk of helemaal niet belangrijk vond, is dat aandeel gestegen naar 31 procent in 2020. 'De redenen zijn vermoedelijk lagere energieprijzen, maar mogelijk zijn de gevolgen van de coronacrisis nog niet doorgesijpeld gegeven de timing van de enquête', aldus de VREG.