De Koning Boudewijnstichting (KBS) onderscheidt drie soorten energiearmoede. De gemeten energiearmoede betreft mensen die een veel groter deel van hun budget aan energie besteden dan andere gezinnen. De verborgen energiearmoede verwijst dan weer naar de situatie waarin men het energieverbruik noodgedwongen erg terugdraait om de rekening zoveel mogelijk te beperken. Wie tenslotte vreest zijn of haar woning niet voldoende te kunnen verwarmen, kampt met subjectieve energiearmoede.

De Barometer Energiearmoede, die op vraag van de KBS wordt uitgevoerd door teams van de Universiteit Antwerpen (OASeS) en de ULB (CEESE), volgt jaarlijks op hoe groot de groep mensen is die zich in één van deze situaties bevinden. In 2017 bleef het aantal gezinnen dat getroffen werd door minstens één van de drie soorten energiearmoede volgens de Barometer stabiel op ruim 21 procent.

Dat totale percentage is sinds 2009 nauwelijks gewijzigd, ondanks schommelingen in prijzen voor aardgas, stookolie en elektriciteit. Terwijl in de laatste tien jaar de mediane energiefactuur wel is gedaald, namen de woonkosten dan weer toe, waardoor het beschikbare gezinsbudget kleiner werd.

Verschillen

Naast de geografische verschillen - de gemeten energiearmoede is merkelijk groter in Wallonië - benadrukt de KBS nog dat niet alle bevolkingsgroepen even hard getroffen worden. Zo is het risico op energiearmoede volgens de KBS twee tot driemaal hoger bij huurders dan bij mensen die eigenaar zijn van een woning.

Bovendien zijn het vooral (vrouwelijke) alleenstaanden die worden getroffen. 'Waar slechts 4,2 procent van de koppels met kind(eren) in gemeten energiearmoede leeft, is dat bij alleenstaanden 26,3 procent en bij eenoudergezinnen 19,4 procent. Gezien de groei van het aandeel alleenstaanden in de bevolking (van 30,4 procent in 2014 naar 32,7 procent in 2017) is dat geen onbelangrijke vaststelling', benadrukt de KBS in een persbericht.