Wanneer je een woonkrediet met een vaste rentevoet hebt afgesloten, dan ben je ingedekt tegen stijgende interesten. Heb je destijds gekozen voor vaste mensualiteiten, dan betaal je zelfs elke maand eenzelfde bedrag terug. Maar ook voor wie leent tegen een variabele rentevoet, voorziet de wet bepaalde beschermingsmaatregelen.

De aanpassing van een variabele rentevoet moet alvast in beide richtingen mogelijk zijn. Formules waarbij de interestvoet alleen kan stijgen zijn dus verboden. De rentevoet mag ook alleen gewijzigd worden na een vooraf gedefinieerde periode, en je bank moet duidelijk aangeven hoelang die precies is. Sowieso mag de interestvoet nooit meer dan één keer per jaar verhoogd worden.

Wat zijn de mogelijkheden?

Volgens de meest eenvoudige '1/1/1'-formule gebeurt de renteaanpassing jaarlijks. Er zijn ook andere formules mogelijk, zoals '3/3/3' (driejaarlijks aanpasbaar) of '5/5/5' (aanpassing om de vijf jaar). De periodes moeten trouwens niet allemaal even lang zijn: een '3/1/1'-formule (eerste herziening na drie jaar en nadien jaarlijkse herziening) is eveneens toegestaan.

De hoogte van de aanpassing wordt door een zogenaamde 'cap' en 'floor' weergegeven: de maximumpercentages waarmee de interest kan verhoogd (cap) of verlaagd (floor) worden. Een cap voorziet dus een bescherming in periodes van stijgende rente, en de floor zorgt voor een beperking van eventuele renteverlagingen.

Wat betekent dit in de praktijk?

Bij de formule '1/1/1 +3/-3' mag je rentevoet om het jaar aangepast worden, en die kan dan maximaal drie procent stijgen en hoogstens drie procent dalen. Bij de formule '5/5/5 +5/-5' mag de rentevoet om de vijf jaar wijzigen: ten hoogste vijf procent naar omhoog en maximaal vijf procent naar omlaag.

Om grote sprongen van de variabele rentevoet enigszins in te perken, kan je dus op zoek gaan naar een woonkrediet dat bijvoorbeeld pas na vijf of tien jaar voor de eerste keer kan aangepast worden. Daarnaast kan je ook opteren voor een laag plafond (cap) waardoor de rente slechts in beperkte mate kan stijgen.

Wanneer je een woonkrediet met een vaste rentevoet hebt afgesloten, dan ben je ingedekt tegen stijgende interesten. Heb je destijds gekozen voor vaste mensualiteiten, dan betaal je zelfs elke maand eenzelfde bedrag terug. Maar ook voor wie leent tegen een variabele rentevoet, voorziet de wet bepaalde beschermingsmaatregelen. De aanpassing van een variabele rentevoet moet alvast in beide richtingen mogelijk zijn. Formules waarbij de interestvoet alleen kan stijgen zijn dus verboden. De rentevoet mag ook alleen gewijzigd worden na een vooraf gedefinieerde periode, en je bank moet duidelijk aangeven hoelang die precies is. Sowieso mag de interestvoet nooit meer dan één keer per jaar verhoogd worden. Volgens de meest eenvoudige '1/1/1'-formule gebeurt de renteaanpassing jaarlijks. Er zijn ook andere formules mogelijk, zoals '3/3/3' (driejaarlijks aanpasbaar) of '5/5/5' (aanpassing om de vijf jaar). De periodes moeten trouwens niet allemaal even lang zijn: een '3/1/1'-formule (eerste herziening na drie jaar en nadien jaarlijkse herziening) is eveneens toegestaan. De hoogte van de aanpassing wordt door een zogenaamde 'cap' en 'floor' weergegeven: de maximumpercentages waarmee de interest kan verhoogd (cap) of verlaagd (floor) worden. Een cap voorziet dus een bescherming in periodes van stijgende rente, en de floor zorgt voor een beperking van eventuele renteverlagingen. Bij de formule '1/1/1 +3/-3' mag je rentevoet om het jaar aangepast worden, en die kan dan maximaal drie procent stijgen en hoogstens drie procent dalen. Bij de formule '5/5/5 +5/-5' mag de rentevoet om de vijf jaar wijzigen: ten hoogste vijf procent naar omhoog en maximaal vijf procent naar omlaag. Om grote sprongen van de variabele rentevoet enigszins in te perken, kan je dus op zoek gaan naar een woonkrediet dat bijvoorbeeld pas na vijf of tien jaar voor de eerste keer kan aangepast worden. Daarnaast kan je ook opteren voor een laag plafond (cap) waardoor de rente slechts in beperkte mate kan stijgen.