De verhuur van een eigen onroerend goed aan je vennootschap heeft dikwijls een fiscale reden. De door de vennootschap betaalde huurgelden zijn voor haar aftrekbare kosten, waardoor de belastbare winst van de vennootschap wordt verminderd. De door de bedrijfsleider ontvangen huurgelden zijn voor hem weliswaar belastbare onroerende inkomsten, maar die kunnen dan weer worden weggewerkt door aftrekbare interesten (bijvoorbeeld de interesten van een lening die de bedrijfsleider heeft afgesloten om de aan zijn vennootschap verhuurde woning te kopen of te bouwen).

Beperking

Om te vermijden dat je als bedrijfsleider een te hoge huur aan je vennootschap zou vragen, heeft de fiscus een beperking opgelegd. De door de vennootschap betaalde huur mag niet hoger zijn dan het niet-geïndexeerde kadastrale inkomen (KI) van de verhuurde woning vermenigvuldigd met 5/3de en met de 'revalorisatiecoëfficiënt'. Die coëfficiënt wordt elk jaar geïndexeerd en bedraagt voor inkomstenjaar 2014 4,23.

Vraag je als bedrijfsleider een hogere huur, dan wordt het surplus omgevormd tot een bezoldiging voor de bedrijfsleider. Die bezoldiging wordt belast aan de progressieve tarieven van de personenbelasting (tot 50 %) zonder dat dit inkomen kan worden verminderd met bijvoorbeeld aftrekbare interesten van leningen.

Voorbeeld

Stel, een bedrijfsleider is eigenaar van een woning waarvan hij één vierde als bureau aan zijn vennootschap verhuurt. Het niet-geïndexeerde KI van de woning bedraagt 2000 euro. Op die manier kan de bedrijfsleider een jaarlijkse huur vragen van 500 (2000 x 1/4de) x 5/3 x 4,23 = 3525 euro of 293,75 euro per maand. Vraagt hij meer, bijvoorbeeld 350 euro per maand, dan zal 56,25 euro per maand of 675 euro per jaar worden beschouwd als bezoldiging.