De zesde staatshervorming hevelde de bevoegdheid voor de kinderbijslag over van het federale niveau naar de gemeenschappen en de gewesten. Vlaanderen doopte de kinderbijslag op 1 januari 2019 al om tot het 'groeipakket'. De Vlaamse regering voerde daarnaast ook allerlei wijzigingen door. Ook de Duitstalige Gemeenschap voerde vorig jaar een eigen systeem voor de kinderbijslag in. Wallonië en Brussel deden dat op 1 januari dit jaar. Elke deelstaat legt eigen accenten, maar toch zijn er meer gelijkenissen dan verschillen tussen de systemen van de regio's.
...

De zesde staatshervorming hevelde de bevoegdheid voor de kinderbijslag over van het federale niveau naar de gemeenschappen en de gewesten. Vlaanderen doopte de kinderbijslag op 1 januari 2019 al om tot het 'groeipakket'. De Vlaamse regering voerde daarnaast ook allerlei wijzigingen door. Ook de Duitstalige Gemeenschap voerde vorig jaar een eigen systeem voor de kinderbijslag in. Wallonië en Brussel deden dat op 1 januari dit jaar. Elke deelstaat legt eigen accenten, maar toch zijn er meer gelijkenissen dan verschillen tussen de systemen van de regio's.Zo keert elke deelstaat een eenmalige geboortepremie uit. Vlaanderen geeft een startbedrag van 1122 euro na elke geboorte, wat ongeveer in het midden ligt tussen het vroegere startbedrag voor het eerste kind (1272,52 euro) en de volgende kinderen (957,42 euro). De andere deelstaten betalen iets minder of iets meer. Vanaf het tweede kind zakt de geboortepremie in Brussel wel van 1100 naar 500 euro. Daarnaast betaalt elke deelstaat een vast maandelijks bedrag, aangevuld met toeslagen, als de persoonlijke situatie van het kind en/of het gezin daar recht op geven. In Vlaanderen heeft elke pasgeborene sinds 1 januari 2019 recht op een vast basisbedrag van 163,20 euro per maand. Dat bedrag ligt voor een eerste kind 74 procent hoger dan vroeger.Voor een eerste kind dat geboren is vóór 1 januari 2019 krijgen ouders in Vlaanderen nog altijd 93,93 euro. Onder de vroegere regeling liep het bedrag vanaf het derde kind op tot 259,49 euro per kind. In het nieuwe systeem krijgt een gezin met drie jonge kinderen 37,62 euro per maand minder. Voor kroostrijke gezinnen loopt dat verschil soms op tot enkele honderden euro's per maand. Grote gezinnen met een laag inkomen kunnen dat verlies deels compenseren via de sociale toeslagen, die iets hoger liggen voor gezinnen met drie of meer kinderen.Bovendien is er in de oude regeling een leeftijdstoeslag, ongeacht het inkomen. Ouders krijgen meer voor kinderen vanaf 6 jaar, 12 jaar en 18 jaar. De leeftijdstoeslag valt weg voor kinderen die zijn geboren na 1 januari 2019. Een gezin uit de middenklasse met vier kinderen van 5 tot 15 jaar oud krijgt in de oude regeling 894,12 euro kinderbijslag per maand. In het nieuwe systeem ontvangt een gezin met vier kinderen die zijn geboren in 2019 of later slechts 652,8 euro van de Vlaamse overheid.Enkele misnoegde ouders trokken naar het Grondwettelijk Hof, omdat ze vonden dat hun kinderen die zijn geboren in 2019 worden gediscrimineerd. In december kregen ze van het hof definitief het deksel op de neus. Sinds 1 januari 2020 krijgt een pasgeborene in Wallonië een basisbedrag van 155 euro per maand. Die som stijgt naar 165 euro wanneer ze 18 worden. "Het basisbedrag is voor de meeste gezinnen in Wallonië iets lager dan in Vlaanderen, en de sociale toeslagen zijn er iets hoger", zegt Marc Ertveldt, directeur bij het kinderbijslagfonds Parentia. In Brussel is het nieuwe basisbedrag het laagste: 150 euro per maand. Als er meer dan één kind is, stijgt dat bedrag naar 160 euro per kind vanaf 12 jaar, en naar 170 euro vanaf 18 jaar voor kinderen die hoger onderwijs volgen.De Duitstalige Gemeenschap keert sinds 2019 een vast bedrag van 157 euro per kind uit. Net zoals in Vlaanderen doet de leeftijd of het aantal broers of zussen er niet toe om het basisbedrag te berekenen. Er zijn wel sociale toeslagen voor schoolgaande of gehandicapte kinderen, voor kroostrijke gezinnen, voor gezinnen met een laag inkomen, en voor kinderen van wie een of beide ouders overleden zijn."Zowel in Vlaanderen als in Wallonië hebben de beleidsmakers gekozen voor een hoog universeel bedrag voor elk kind, waardoor de ruimte voor selectieve bedragen voor kinderen met grotere behoeften beperkt is", vindt Wim Van Lancker, hoogleraar sociaal werk en beleid aan de KU Leuven.Voorafgaand aan de hervorming van de kinderbijslag maakte Van Lancker samen met zijn collega's simulaties voor de drie belangrijkste regio's. "Wij hebben aangetoond dat er in Vlaanderen en Wallonië nauwelijks een positieve impact op de kinderarmoede zal zijn", zegt Van Lancker. "Daarom vinden we de hervorming een gemiste kans voor de strijd tegen de kinderarmoede. Brussel heeft meer sociale keuzes gemaakt, met meer steun voor kroostrijke en kwetsbare gezinnen. Al mag je ook daar niet verwachten dat de kinderbijslag een grote impact heeft op de kinderarmoede.""De overheden moeten altijd een evenwichtsoefening maken", zegt Van Lancker. "Er moet een bedrag voor elk kind zijn om een breed draagvlak voor de kinderbijslag te hebben, maar in Vlaanderen en Wallonië ligt het zwaartepunt op het universele bedrag voor elk kind. Dan is er nog maar weinig budget over om nog iets tegen de kinderarmoede te doen."Nele Wouters, de woordvoerster van Kind & Gezin, haalt er de armoedetoets bij, een ander onderzoek van de KU Leuven. Daaruit blijkt dat het groeipakket op kruissnelheid 6 procent van de Vlaamse gezinnen en 16 procent van de nieuwe Vlaamse gezinnen boven de armoedegrens zal tillen. "De armoedetoets heeft de doeltreffendheid van het groeipakket bevestigd", stelt ze.Wouters haalt er cijfers uit de praktijk bij om die stelling kracht bij te zetten. "Het aantal kinderen met een sociale toeslag is bijna verdubbeld. Eind 2018 kregen 175.174 Vlaamse kinderen een sociale toeslag. In de eerste negen maanden van 2019 lag het aantal kinderen met een sociale toeslag boven 340.000."Volgens een simulatie van het Vlaams agentschap Opgroeien stopte de Vlaamse regering door de hervorming van de kinderbijslag in 2019 zo'n 161,5 miljoen euro meer in de kinderbijslag, waarvan meer dan de helft opging aan sociale toeslagen. "Volgens de huidige prognose loopt het verschil tussen het budget van het groeipakket en wat een status quo in de kinderbijslag zou hebben gekost verder op naar 186,3 miljoen euro tegen 2024, waarvan 162 miljoen euro sociale toeslagen", besluit Wouters."Het totale budget voor het groeipakket is in 2019 opgetrokken ten opzichte van 2018", reageert Steffen Van Roosbroeck, de woordvoerder van Vlaams minister van Welzijn, Gezin, Volksgezondheid en Armoedebestrijding Wouter Beke (CD&V). "Het verschil zit vooral in de sociale en de participatietoeslagen. Dat was een bewuste sociale keuze."Een Vlaams gezin met één kind krijgt een hoger basisbedrag dan vroeger. Maar waar winnaars zijn, zijn meestal ook verliezers. Volgens de studie van professor Van Lancker zijn de grote verliezers de grote gezinnen. "Bijna alle gezinnen met één kind zien hun situatie verbeteren, maar 60 procent van de gezinnen met twee kinderen en meer dan 70 procent van de grotere gezinnen verliezen in het nieuwe systeem."Van Lancker stelt dat de armoedetoets nauwelijks een effect op het kinderarmoederisico heeft aangetoond, ondanks de verdubbeling van de sociale toeslagen. "Er moeten veel meer gezinnen dan vroeger een sociale toeslag krijgen, om het verlies van de rang- en de leeftijdstoeslagen te compenseren. De verdubbeling van de sociale toeslagen dient dus om de weeffouten in het nieuwe systeem te compenseren, niet om meer te herverdelen. Het nieuwe systeem kost meer en is minder kostenefficiënt voor de armoedebestrijding."Maar de kinderbijslag dient niet alleen om de kinderarmoede te bestrijden. Er vindt een herverdeling plaats volgens twee assen. "Er is een horizontale verdeling tussen de gezinnen met en zonder kinderen via het basisbedrag, en een verticale herverdeling tussen welstellende en minder rijke gezinnen via de sociale toeslagen", merkt Marc Ertveldt van Parentia op.Bij de toeslagen wordt het pas echt ingewikkeld. "De sociale toeslagen worden in Vlaanderen sinds 2019 enkel en alleen toegekend op basis van de gezinsomvang en de inkomsten van het gezin", zegt Ertveldt. In Vlaanderen doet het er niet meer toe of het kind woont in een gezin met tweeverdieners of in een eenoudergezin, of dat een van beide ouders werkloos of langdurig ziek is. Als het bruto belastbaar gezinsinkomen 30.986,17 euro of minder per jaar bedraagt, heeft elk kind recht op 51 euro extra per maand. Voor gezinnen met drie of meer kinderen dikt die sociale toelage aan tot 81,60 euro per kind, en is ook voor de iets grotere jaarinkomens tussen 30.986,17 en 61.200 euro in een extraatje van 61,2 euro per kind voorzien." Leen Du Bois van het Agentschap Uitbetaling Groeipakket benadrukt dat die bedragen enkel gelden voor gezinnen met minstens één kind dat geboren is sinds 1 januari 2019.Daarnaast zijn er toeslagen voor kinderen van wie een of beide ouders overleden zijn, voor kinderen die extra zorg nodig hebben (een pleegkind, een kind met aandoening of een handicap) én - dat is nieuw - voor kinderen die naar school gaan. Zo is er een toeslag voor kinderen die in een niet-inkomensgerelateerde kinderopvang zitten, een kleutertoeslag en toeslagen voor het lager, het middelbaar en het hoger onderwijs. Volgens Wim Van Lancker schieten sommige van die participatietoeslagen hun doel voorbij. "Er zijn in Vlaanderen vooral plaatsen te kort in de kinderopvang. Gebruik dat budget om extra plaatsen te creëren in de inkomensgerelateerde opvang. Door voor enkele euro's per dag bij te dragen aan de dagprijs van de niet-inkomensgerelateerde opvang zal de overheid de prijzen in de private kinderopvang allicht alleen maar opdrijven. Wanneer ouders hun kinderen niet naar de kleuterschool sturen, is dat meestal niet om financiële redenen. Ze willen liever zelf voor hun kinderen zorgen of staan wantrouwig tegenover de school. Gezinnen die hun kinderen niet naar de kleuterschool brengen, behoren vaak bij de meest kwetsbare groepen. Zij zullen die financiële steun mislopen.""Het primaire doel van de kleutertoeslag en de kinderopvangtoeslag is het stimuleren van de participatie, niet de bestrijding van de kinderarmoede", stelt Nele Wouters. "De sociale toeslagen en de selectieve participatietoeslagen zijn wel gekoppeld aan het gezinsinkomen."In Wallonië en Brussel zijn er ook sociale toeslagen op basis van het gezinsinkomen, afhankelijk het inkomen, het aantal kinderen en of er een of twee ouders zijn in het gezin. In Brussel is er ook nog een variatie volgens leeftijd en een extraatje als de kinderen hoger onderwijs volgen. Ertveldt: "In Wallonië en Brussel is het systeem van de toeslagen complexer dan in Vlaanderen. Er is daardoor een grotere differentiatie tussen een klassiek gezin met tweeverdieners of het extreem van een groter eenoudergezin dat leeft van een vervangingsinkomen. De risico's op kinderarmoede in die laatste gezinnen zijn groter. Vandaar die keuze. De behoeften liggen in Brussel anders dan in Wallonië of in Vlaanderen."