Een studentenkamer wordt doorgaans gemeubeld verhuurd. Dat betekent dat de verhuurder twee vergoedingen ontvangt: een voor de verhuring van de kamers en een voor de verhuring van de meubelen. Hoe worden die inkomsten van de verhuring nadien belast? Eerst het gedeelte van de kamerverhuur. Hier kijkt de fiscus niet naar het ontvangen huurgeld. De verhuurder wordt gewoon belast op basis van het kadastraal inkomen van de verhuurde kamers. Dat wordt vervolgens geïndexeerd en nadien verhoogd met 40%. De uitkomst van die berekening is doorgaans een pak gunstiger dan de som die men kreeg voor de verhuring van de kamers. Dan het gedeelte van de verhuur van de meubels. Ofwel neemt men het bedrag dat in de overeenkomst werd vastgelegd. Is daar geen opsplitsing gebeurd, dan wordt 40% van de totale huursom genomen als huurgeld voor de meubelen. Hiervan wordt vervolgens de helft beschouwd als kosten. Een voorbeeld. Een kamer wordt verhuurd voor 300 euro per maand en er is geen opdeling in de overeenkomst. In dat geval wordt 40% x 300 euro x 12 maanden beschouwd als huur voor de meubels. Dat komt neer op 1440 euro. De helft wordt gezien als een terugbetaling van kosten. Dus blijft 720 euro aan te geven als roerend inkomen. Men kan dit bedrag lager krijgen door zelf een kleiner percentage op te nemen in de huurovereenkomst. Let wel: deze werkwijze geldt alleen voor verhuringen die passen in het normale beheer van een gezinsvermogen. Verhuurt u een hele reeks studentenkamers, dan kunnen de inkomsten worden beschouwd als een divers inkomen of zelfs als een beroepsinkomen. In dat geval zal u een pak meer belastingen moeten betalen. Waar de grens ligt, is een feitenkwestie, waar desgevallend een rechter zich moet over uitspreken. (Belga)

Een studentenkamer wordt doorgaans gemeubeld verhuurd. Dat betekent dat de verhuurder twee vergoedingen ontvangt: een voor de verhuring van de kamers en een voor de verhuring van de meubelen. Hoe worden die inkomsten van de verhuring nadien belast? Eerst het gedeelte van de kamerverhuur. Hier kijkt de fiscus niet naar het ontvangen huurgeld. De verhuurder wordt gewoon belast op basis van het kadastraal inkomen van de verhuurde kamers. Dat wordt vervolgens geïndexeerd en nadien verhoogd met 40%. De uitkomst van die berekening is doorgaans een pak gunstiger dan de som die men kreeg voor de verhuring van de kamers. Dan het gedeelte van de verhuur van de meubels. Ofwel neemt men het bedrag dat in de overeenkomst werd vastgelegd. Is daar geen opsplitsing gebeurd, dan wordt 40% van de totale huursom genomen als huurgeld voor de meubelen. Hiervan wordt vervolgens de helft beschouwd als kosten. Een voorbeeld. Een kamer wordt verhuurd voor 300 euro per maand en er is geen opdeling in de overeenkomst. In dat geval wordt 40% x 300 euro x 12 maanden beschouwd als huur voor de meubels. Dat komt neer op 1440 euro. De helft wordt gezien als een terugbetaling van kosten. Dus blijft 720 euro aan te geven als roerend inkomen. Men kan dit bedrag lager krijgen door zelf een kleiner percentage op te nemen in de huurovereenkomst. Let wel: deze werkwijze geldt alleen voor verhuringen die passen in het normale beheer van een gezinsvermogen. Verhuurt u een hele reeks studentenkamers, dan kunnen de inkomsten worden beschouwd als een divers inkomen of zelfs als een beroepsinkomen. In dat geval zal u een pak meer belastingen moeten betalen. Waar de grens ligt, is een feitenkwestie, waar desgevallend een rechter zich moet over uitspreken. (Belga)