Sinds 1 januari dit jaar zijn er nieuwe regels voor de studentenarbeid van kracht. Studenten kunnen voortaan gemakkelijker werken buiten de maanden juli, augustus en september. De werkgever en de student betalen minder socialezekerheidsbijdragen dan wanneer ze een gewone arbeidsovereenkomst zouden sluiten. En als bepaalde voorwaarden zijn vervuld, hoeft een jobstudent op zijn loon geen belastingen af te dragen.

Soepeler werken

Tot eind 2011 konden studenten maximaal 23 dagen werken in de zomermaanden (van 1 juli tot en met 31 augustus) en nog eens 23 dagen in de andere maanden van het jaar. Die beperking bestaat niet meer. Studenten kunnen sinds 1 januari 50 dagen per jaar werken, en ze mogen die dagen vrij kiezen en spreiden over het hele jaar. Heeft uw studerende zoon of dochter de eerste zes maanden van dit jaar bijvoorbeeld 20 dagen gewerkt, dan is er nog een reserve van 30 dagen voor de tweede helft van het jaar.

Tot eind 2011 kon een student slechts gedurende zes maanden met een studentenovereenkomst werken voor dezelfde werkgever. Ook die regeling werd versoepeld: sinds begin dit jaar kan een werkgever dezelfde jobstudent gedurende twaalf maanden in dienst nemen, bijvoorbeeld gedurende één dag per weekend. Wordt de periode van twaalf maanden overschreden, dan moet de student een gewone arbeidsovereenkomst krijgen.

Schriftelijke arbeidsovereenkomst verplicht

Een schriftelijke arbeidsovereenkomst blijft verplicht voor jobstudenten. Het contract moet ten laatste worden ondertekend op de dag dat de studentenarbeid begint. Is de student jonger dan achttien maar ouder dan vijftien, dan mag hij de overeenkomst zelf ondertekenen, tenzij de ouders of de voogd zich daar uitdrukkelijk tegen verzetten.

Op zijn eerste werkdag moet de student een kopie van het arbeidsreglement ontvangen. Daarin staan de arbeidsvoorwaarden die gelden in het bedrijf van de werkgever.

Voordelige socialezekerheidsbijdragen

De socialezekerheidsbijdragen die de werkgever inhoudt op het loon van een student, zijn lager dan die van een gewone werknemer, op voorwaarde dat de student niet meer dan 50 dagen per jaar werkt. Vanaf 1 januari 2012 geldt een tarief van 8,13 procent, dat het hele jaar van toepassing is. De werkgever neemt daarvan 5,42 procent voor zijn rekening, de resterende 2,71 procent is ten laste van de student.

Efficiënte controle

Om bij te houden hoeveel dagen studenten werken gedurende een jaar, moet elke werkgever - of het sociaal secretariaat waarmee hij samenwerkt - de studentenarbeid elektronisch aangeven via het Dimona-systeem. Ook wanneer een werkgever een overeenkomst sluit met een student, moet hij dat onmiddellijk melden via dat centrale registratiesysteem, zelfs al begint de arbeid pas later dat jaar. Op die manier weten andere werkgevers of ze die student vóór die periode nog in dienst kunnen nemen.

Ook de student kan online nagaan hoeveel dagen hij nog mag werken tegen verminderde sociale bijdragen. Daarvoor kan hij met zijn elektronische identiteitskaart of een code inloggen op de website https://www.mysocialsecurity.be/student. Via die website kan hij ook een attest maken waarmee hij een potentiële werkgever kan bewijzen hoeveel dagen hij nog mag werken zonder de grens van 50 dagen te overschrijden. Het systeem geeft daarnaast een overzicht van alle studentenbanen waarvoor hij een overeenkomst heeft gesloten en die hij al heeft uitgevoerd.

Voordelige fiscaliteit

Of een student belastingen moet afdragen op zijn loon, hangt af van zijn totale belastbare netto-inkomen - dat zijn al zijn inkomsten, inclusief 80 procent van de onderhoudsuitkeringen die hij mogelijk heeft gekregen. Is dat bedrag lager dan de belastingvrije som, dan hoeft hij geen belastingen te betalen. Voor het inkomstenjaar 2012 bedraagt het belastingvrije minimum voor een alleenstaande - we gaan ervan uit dat de student niet getrouwd is of wettelijk samenwoont - 7070 euro, als zijn belastbare inkomen lager is dan 25.270 euro. Houd er wel rekening mee dat een student, ongeacht zijn inkomen, verplicht is een fiscale aangifte in te dienen.

Ten laste of niet?

Een belangrijke vraag is of een student fiscaal ten laste blijft van zijn ouders. Is dat niet langer het geval, dan moeten de ouders meer belastingen betalen. Om fiscaal ten laste te blijven, moet een student aan drie voorwaarden voldoen. Om te beginnen moet hij op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van zijn ouders. Voor het inkomstenjaar 2012 wil dat zeggen dat hij op 1 januari 2013 bij zijn ouders moet wonen.

Ten tweede mag hij geen bezoldigingen ontvangen van zijn ouders. Als een student bijvoorbeeld werkt bij zijn ouders, die zelfstandigen zijn, en hij wordt daarvoor betaald (1 euro is voldoende), is hij fiscaal niet meer ten laste.

Ten derde mogen de nettobestaansmiddelen van de student een bepaalde grens niet overschrijden. Die bedraagt 2990 euro voor een student van wie de ouders getrouwd zijn of wettelijk samenwonen, en 4320 euro voor een student van wie de ouder een alleenstaande is. Nettobestaansmiddelen zijn niet alleen de inkomsten uit een studentenbaan, maar ook eventuele onderhoudsuitkeringen - die bijvoorbeeld worden betaald door een gescheiden vader - of inkomsten van onroerende en roerende goederen waarvan de ouders het wettelijke genot niet hebben. Daaronder vallen bijvoorbeeld kasbons en aandelen die een studerende zoon of dochter mogelijk heeft geërfd van een oom of een tante.

Johan Steenackers

Sinds 1 januari dit jaar zijn er nieuwe regels voor de studentenarbeid van kracht. Studenten kunnen voortaan gemakkelijker werken buiten de maanden juli, augustus en september. De werkgever en de student betalen minder socialezekerheidsbijdragen dan wanneer ze een gewone arbeidsovereenkomst zouden sluiten. En als bepaalde voorwaarden zijn vervuld, hoeft een jobstudent op zijn loon geen belastingen af te dragen. Soepeler werken Tot eind 2011 konden studenten maximaal 23 dagen werken in de zomermaanden (van 1 juli tot en met 31 augustus) en nog eens 23 dagen in de andere maanden van het jaar. Die beperking bestaat niet meer. Studenten kunnen sinds 1 januari 50 dagen per jaar werken, en ze mogen die dagen vrij kiezen en spreiden over het hele jaar. Heeft uw studerende zoon of dochter de eerste zes maanden van dit jaar bijvoorbeeld 20 dagen gewerkt, dan is er nog een reserve van 30 dagen voor de tweede helft van het jaar. Tot eind 2011 kon een student slechts gedurende zes maanden met een studentenovereenkomst werken voor dezelfde werkgever. Ook die regeling werd versoepeld: sinds begin dit jaar kan een werkgever dezelfde jobstudent gedurende twaalf maanden in dienst nemen, bijvoorbeeld gedurende één dag per weekend. Wordt de periode van twaalf maanden overschreden, dan moet de student een gewone arbeidsovereenkomst krijgen. Schriftelijke arbeidsovereenkomst verplichtEen schriftelijke arbeidsovereenkomst blijft verplicht voor jobstudenten. Het contract moet ten laatste worden ondertekend op de dag dat de studentenarbeid begint. Is de student jonger dan achttien maar ouder dan vijftien, dan mag hij de overeenkomst zelf ondertekenen, tenzij de ouders of de voogd zich daar uitdrukkelijk tegen verzetten. Op zijn eerste werkdag moet de student een kopie van het arbeidsreglement ontvangen. Daarin staan de arbeidsvoorwaarden die gelden in het bedrijf van de werkgever. Voordelige socialezekerheidsbijdragenDe socialezekerheidsbijdragen die de werkgever inhoudt op het loon van een student, zijn lager dan die van een gewone werknemer, op voorwaarde dat de student niet meer dan 50 dagen per jaar werkt. Vanaf 1 januari 2012 geldt een tarief van 8,13 procent, dat het hele jaar van toepassing is. De werkgever neemt daarvan 5,42 procent voor zijn rekening, de resterende 2,71 procent is ten laste van de student. Efficiënte controle Om bij te houden hoeveel dagen studenten werken gedurende een jaar, moet elke werkgever - of het sociaal secretariaat waarmee hij samenwerkt - de studentenarbeid elektronisch aangeven via het Dimona-systeem. Ook wanneer een werkgever een overeenkomst sluit met een student, moet hij dat onmiddellijk melden via dat centrale registratiesysteem, zelfs al begint de arbeid pas later dat jaar. Op die manier weten andere werkgevers of ze die student vóór die periode nog in dienst kunnen nemen. Ook de student kan online nagaan hoeveel dagen hij nog mag werken tegen verminderde sociale bijdragen. Daarvoor kan hij met zijn elektronische identiteitskaart of een code inloggen op de website https://www.mysocialsecurity.be/student. Via die website kan hij ook een attest maken waarmee hij een potentiële werkgever kan bewijzen hoeveel dagen hij nog mag werken zonder de grens van 50 dagen te overschrijden. Het systeem geeft daarnaast een overzicht van alle studentenbanen waarvoor hij een overeenkomst heeft gesloten en die hij al heeft uitgevoerd. Voordelige fiscaliteit Of een student belastingen moet afdragen op zijn loon, hangt af van zijn totale belastbare netto-inkomen - dat zijn al zijn inkomsten, inclusief 80 procent van de onderhoudsuitkeringen die hij mogelijk heeft gekregen. Is dat bedrag lager dan de belastingvrije som, dan hoeft hij geen belastingen te betalen. Voor het inkomstenjaar 2012 bedraagt het belastingvrije minimum voor een alleenstaande - we gaan ervan uit dat de student niet getrouwd is of wettelijk samenwoont - 7070 euro, als zijn belastbare inkomen lager is dan 25.270 euro. Houd er wel rekening mee dat een student, ongeacht zijn inkomen, verplicht is een fiscale aangifte in te dienen. Ten laste of niet? Een belangrijke vraag is of een student fiscaal ten laste blijft van zijn ouders. Is dat niet langer het geval, dan moeten de ouders meer belastingen betalen. Om fiscaal ten laste te blijven, moet een student aan drie voorwaarden voldoen. Om te beginnen moet hij op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van zijn ouders. Voor het inkomstenjaar 2012 wil dat zeggen dat hij op 1 januari 2013 bij zijn ouders moet wonen. Ten tweede mag hij geen bezoldigingen ontvangen van zijn ouders. Als een student bijvoorbeeld werkt bij zijn ouders, die zelfstandigen zijn, en hij wordt daarvoor betaald (1 euro is voldoende), is hij fiscaal niet meer ten laste. Ten derde mogen de nettobestaansmiddelen van de student een bepaalde grens niet overschrijden. Die bedraagt 2990 euro voor een student van wie de ouders getrouwd zijn of wettelijk samenwonen, en 4320 euro voor een student van wie de ouder een alleenstaande is. Nettobestaansmiddelen zijn niet alleen de inkomsten uit een studentenbaan, maar ook eventuele onderhoudsuitkeringen - die bijvoorbeeld worden betaald door een gescheiden vader - of inkomsten van onroerende en roerende goederen waarvan de ouders het wettelijke genot niet hebben. Daaronder vallen bijvoorbeeld kasbons en aandelen die een studerende zoon of dochter mogelijk heeft geërfd van een oom of een tante. Johan Steenackers