De schijnzelfstandigheid is de jongste maanden sterk opgelopen. Vooral vreemde arbeidskrachten maken er gebruik van. Door zich als zelfstandige voor te doen, zijn ze niet gebonden aan arbeidstijden en minimumlonen, hoewel ze in de praktijk onder het gezag staan van een opdrachtgever. Maar op die manier wordt wel een deel van de sociale lasten ontdoken. Om dit tegen te gaan, heeft de wetgever nu in vier gevoelige sectoren een wettelijk vermoeden ingevoerd. Wie aan meer dan de helft van de criteria voldoet, wordt als een werknemer beschouwd. Is dat niet het geval, dan gaat het om een zelfstandige. Dit vermoeden kan wel weerlegd worden. De negen criteria zijn: 1. Het gebrek aan een financieel en economisch risico; 2. Een gebrek aan verantwoordelijkheid en beslissingsmacht inzake financieel beleid; 3. Een gebrek aan beslissingsmacht inzake aankoopbeleid; 4. Een gebrek aan beslissingsmacht inzake prijsbeleid; 5. Er is geen resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid; 6. Men geniet de zekerheid van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties; 7. Men is zelf geen werkgever van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of de mogelijkheid ontbreekt om voor de uitvoering van een overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen; 8. Men gedraagt zich niet als onderneming tegenover anderen of men heeft slechts één opdrachtgever; 9. Men werkt in ruimtes van anderen of met materiaal dat ter beschikking gesteld wordt, gefinancierd wordt of gewaarborgd wordt door de medecontractant. Het wettelijk vermoeden is niet van toepassing in familiale ondernemingen voor bloedverwanten of aanverwanten tot de derde graad. Daarbij is het wel van belang dat men verwant moet zijn met één of meerdere vennoten die samen minstens de helft van de aandelen bezitten. (ANA)

De schijnzelfstandigheid is de jongste maanden sterk opgelopen. Vooral vreemde arbeidskrachten maken er gebruik van. Door zich als zelfstandige voor te doen, zijn ze niet gebonden aan arbeidstijden en minimumlonen, hoewel ze in de praktijk onder het gezag staan van een opdrachtgever. Maar op die manier wordt wel een deel van de sociale lasten ontdoken. Om dit tegen te gaan, heeft de wetgever nu in vier gevoelige sectoren een wettelijk vermoeden ingevoerd. Wie aan meer dan de helft van de criteria voldoet, wordt als een werknemer beschouwd. Is dat niet het geval, dan gaat het om een zelfstandige. Dit vermoeden kan wel weerlegd worden. De negen criteria zijn: 1. Het gebrek aan een financieel en economisch risico; 2. Een gebrek aan verantwoordelijkheid en beslissingsmacht inzake financieel beleid; 3. Een gebrek aan beslissingsmacht inzake aankoopbeleid; 4. Een gebrek aan beslissingsmacht inzake prijsbeleid; 5. Er is geen resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid; 6. Men geniet de zekerheid van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties; 7. Men is zelf geen werkgever van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of de mogelijkheid ontbreekt om voor de uitvoering van een overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen; 8. Men gedraagt zich niet als onderneming tegenover anderen of men heeft slechts één opdrachtgever; 9. Men werkt in ruimtes van anderen of met materiaal dat ter beschikking gesteld wordt, gefinancierd wordt of gewaarborgd wordt door de medecontractant. Het wettelijk vermoeden is niet van toepassing in familiale ondernemingen voor bloedverwanten of aanverwanten tot de derde graad. Daarbij is het wel van belang dat men verwant moet zijn met één of meerdere vennoten die samen minstens de helft van de aandelen bezitten. (ANA)