Ons pensioenstelsel heeft net zoals een stoel vier poten. Wie op slechts twee daarvan balanceert, kan zich behoorlijk pijn doen. De eerste poot - het wettelijke pensioen - begint al los te zitten. We moeten meer mensen langer aan het werken krijgen, want de actieve bevolking betaalt de pensioenen van de niet meer actieve bevolking en die laatste groep groeit sneller dan de eerste. De al genomen maatregelen zijn onvoldoende om de betaalbaarheid van de wettelijke pensioenen te garanderen.

De overheid moedigt de opbouw van een aanvullend pensioen via de werkgever (tweede pijler) en het individuele pensioensparen (derde pijler) al vele jaren fiscaal aan. Die poten worden stevig. Ze zijn geen overbodige luxe en dienen om de kloof tussen laatste loon en pensioen enigszins te dichten. Vooral de tweede pijler is gebaseerd op vertrouwen. De werknemer staat een deel van zijn huidig loon af, wetende dat hij een hoger 'uitgesteld loon' in de plaats krijgt zodra hij pensioengerechtigd is.

Wie zonder fiscale stimulans spaart voor zijn oude dag, wordt bestraft met extra belastingen

Vijf jaar geleden besliste de regering dat de werkgevers 1,5 procent belasting moeten betalen op elke storting boven 30.000 euro voor het aanvullend pensioen van een werknemer. Nu verdubbelt de regering die bijdrage tot 3 procent. Die maatregel raakt weinig mensen, maar knaagt wel stilletjes aan het vertrouwen. En de spelregels voor het collectieve en het individuele pensioensparen zijn de voorbije jaren al verschillende keren op subtiele of minder subtiele wijze veranderd.

De belastingen op het vermogen tikken aan en hollen de vierde pijler van het pensioen uit. Wie zonder fiscale stimulans spaart voor zijn oude dag, wordt bestraft met extra belastingen, zoals die op effectenrekeningen met meer dan 500.000 euro. Er is vertrouwen nodig in alle vier de poten van het pensioen. Vooraleer we ons met een gerust hart op onze stoel kunnen ploffen, moeten we zeker weten dat niemand aan de poten zaagt.