De regering-Michel heeft beslist dat de vrijstelling van de intresten op een spaarboekje halveert van 1880 naar 940 euro per persoon. De maatregel moet het spaargeld van de Belgen activeren. In hetzelfde kader past ook de vrijstelling op een eerste schijf aan dividenden en een verhoging van het maximum voor pensioensparen. Op de intresten boven het plafond van 940 euro betaalt u 15 procent roerende voorheffing. Dat is nog altijd maar de helft van het tarief van 30 procent dat voor de meeste andere spaar- en beleggingsproducten geldt. Het gunstregime voor spaarrekeningen ligt dus nog niet aan diggelen. Raken aan het spaargeld ligt politiek heel gevoelig en verschillende ex-ministers van Financiën beten er al hun tanden op stuk (zie kader).

De wettelijke minimumrente bedraagt momenteel 0,01 procent basisrente, plus 0,1 procent getrouwheidspremie op geld dat langer dan een jaar bij dezelfde bank blijft staan. De meeste spaarders zullen de verlaging van het intrestplafond dus niet meteen voelen. U moet al meer dan 850.000 euro aan spaargeld hebben om in de gevarenzone te komen.

Wie goed zoekt, vindt nog spaarboekjes met 0,5 procent intresten. Tegen die rente betaalt u roerende voorheffing vanaf 188.000 euro aan spaartegoeden. Mochten de spaarrentes de komende jaren stijgen, dan is het verstandig het totale bedrag op spaarrekeningen in te perken. Bij een rente van 1 procent houdt u op uw spaarrekeningen het beste minder aan dan 94.000, bij een rente van 2 procent is dat 47.000 euro.

U moet het totale bedrag aan intresten optellen. Hebt u rekeningen bij verschillende banken en zit u bij geen enkele individuele bank boven het plafond, dan wordt de voorheffing niet automatisch ingehouden. U moet de totale intrest dan aangeven op uw belastingbrief. De Belgische banken en de fiscus wisselen tot nu geen informatie uit van de bedragen op spaarrekeningen, maar er is wel een register met alle rekeningen en contracten die u hebt gesloten met banken. Bij een controle komt een al dan niet bewuste vergetelheid gauw boven water.

In 1974 ondernam de toenmalige liberale minister van Financiën Willy De Clercq een poging om de vrijstelling van roerende voorheffing toe te kennen via de aangifte, en zo een einde te maken aan de belastingontwijking via meerdere spaarboekjes. Hij oogstte toen zo veel verzet dat hij het idee liet varen. De christendemocraat Philippe Maystadt ondernam in de jaren negentig een poging om het fiscale voordeelregime uit te breiden naar andere producten. Zijn opvolger Didier Reynders (MR) was er ook van overtuigd dat er iets moest veranderen aan de fiscale regelgeving van de spaarrekeningen. En ten slotte faalde ook de vorige minister van Financiën, Koen Geens (CD&V), toen die eind 2013 het fiscale voordeel voor spaarboekjes trachtte uit te breiden. Geens wilde één fiscale korf voor zowel inkomsten uit aandelen, obligaties, fondsen als levensverzekeringen.

Morgen: profiteer maximaal van de vrijstelling voor dividenden