De voorbije weken kwamen de Belgische banken met hun winstcijfers over de eerste jaarhelft. De topman van KBC brak een lans voor een uitbreiding van het fiscaal voordeel voor spaarboekjes naar andere spaar- en beleggingsproducten. Tijdens de voorstelling van de halfjaarcijfers van ING België pleitte de CEO voor een debat over de minimumrente op spaarboekjes. Hij vindt een minimumrente van nul meer passen bij de huidige situatie. De top van Belfius waarschuwde dan weer voor verdere renteverlagingen door de Europese Centrale Bank (ECB) die "ronduit gevaarlijk" zouden zijn voor de banken..

Naast het fiscale voordeel en de minimumrente heeft het spaarboekje ook een speciale bescherming, waarvan sommige andere spaarproducten ook genieten. Als een bank failliet gaat, dan krijgen de spaarders tot 100.000 euro per bank en per klant van het geld op hun spaarrekening terug. De overheid garandeert die bescherming en de banksector in zijn geheel financiert ze. Die bescherming werd verhoogd met de bankencrisis in 2008, om te vermijden dat spaarders in paniek hun geld zouden opnemen en een bank nog meer in moeilijkheden zouden brengen. Sommige privileges voor de spaarrekening gaan al heel lang mee.

Van waar komt het fiscale voordeel?

De belastingvrijstelling voor de intresten van het spaarboekje is een 19de-eeuwse uitvinding. De burgerij wilde het sparen aanmoedigen bij het gepeupel en nam allerlei initiatieven, zoals de oprichting van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas (ASLK) in 1865 door minister van Financiën Walthère Frère-Orban. Er is altijd wel een overheidswaarborg of een of ander fiscaal voordeel gemoeid geweest met het sparen om het vertrouwen van de mensen te wekken.

De generatie van de babyboomers kreeg geld mee naar school om te sparen. Die bedragen werden in het roze spaarboekje van de ASLK opgeschreven en het geld werd door de onderwijzers naar de bank gebracht. De Belgen hebben letterlijk leren te sparen, mede dankzij de vrijstelling van roerende voorheffing voor de intresten. Het spaarboekje is en blijft van het volk. Een lezer reageerde op de suggestie om de fiscale vrijstelling uit te breiden naar andere producten: "Awel ja, geef de rijken nog meer belastingvoordelen." De perceptie leeft nog altijd bij veel mensen dat sparen voor de gewone mensen is en beleggen voor de rijke mensen.

De politici hebben het daarom lange tijd niet aangedurfd om ook maar iets te veranderen aan de fiscale vrijstelling voor het spaarboekje, omdat ze dachten dat ze daarmee hun politieke doodvonnis zouden tekenen. Aangemoedigd door de historisch lage spaarrentes heeft de regering-Michel in 2018 dan toch het plafond voor die vrijstelling gehalveerd van 1880 naar 980 euro. De regering kon die maatregel nemen zonder de spaarders echt pijn te doen. Want op een spaarboekje dat een half procent rente oplevert, mag tot 192.000 euro spaargeld staan zonder dat er belasting op de intresten moet betaald worden. Bij een rente van 0,01 procent moeten spaarders al meer dan 960.000 euro op hun rekening hebben om tegen het plafond te botsen.

Van waar komt de wettelijke minimumrente?

Het gekke aan de wettelijke minima voor het spaarboekje is dat ze begin 2015 uit het niets zijn opgedoken. De wetgever verplicht de banken minstens 0,01 procent basisrente uit te delen aan de spaarders en minstens 0,1 procent getrouwheidspremie. De getrouwheidspremie is de bonus die spaarders krijgen voor elke periode van twaalf maanden dat ze hun geld onaangeroerd laten staan bij een bank.

"Het cijfer van 0,11 procent zal je op zich nergens in een wettekst terugvinden", legt een woordvoerder van de sectorfederatie van de banken Febelfin uit. "Het is het resultaat van een interpretatie van de wetteksten begin 2015. Die interpretatie werd toen bevestigd door de minister van Financiën, Johan Van Overtveldt."

De basis voor de gereglementeerde spaardeposito's, zoals de spaarboekjes officieel heten, vinden we in twee wetteksten. Het gaat om het wetboek inkomstenbelasting (WIB) waarin staat dat de eerste schijf van 980 euro intresten niet belastbaar is. "Daarnaast is er een koninklijk besluit (KB), waarin je de voorwaarden vindt voor de niet-belastbaarheid. In het KB vind je enkel terug dat de vergoeding moet samengesteld zijn uit twee componenten: een basisrente en een getrouwheidspremie. Het idee is om een incentive te geven, via de getrouwheidspremie, om je spaargeld niet te snel uit te geven. Er is geen enkele vermelding van die 0,11 procent als minimale vergoeding, wel van modaliteiten voor de werking van de vergoeding", klinkt het bij Febelfin.

Voor de banksector is het duidelijk dat de wereld sinds 2015 veranderd is. "Het beleid van de ECB, die nu al jaren superlage en zelfs negatieve rentes hanteert, plaatst onze banken in een bijzondere context", zegt de woordvoerder. "Ze moeten een vergoeding geven aan de spaarder, en daarnaast ook de andere puur Belgische bankenheffingen betalen, maar ze moeten ook een 'strafrente' van 0,4 procent betalen aan de ECB voor hun 'excess liquidity'." Dat liquiditeitsoverschot zijn alle deposito's van de klanten die de banken niet kunnen transformeren in kredieten.

Febelfin maakt zich niet enkel zorgen over de financiële gezondheid van de banken, maar vraagt zich ook af of het Belgische minimum van 0,11 procent niet tegenstrijdig is met het beleid van de ECB. "Je kan de vraag stellen of het minimum geen belemmering vormt op het beleid van de ECB. We zien in België dat de volumes spaargeld vrij hoog blijven. Er staat nu al 278,4 miljard euro op de spaarboekjes. In Duitsland passen tientallen banken al maanden een negatieve rente op deposito's van klanten toe." Dat betekent dus dat de spaarders een vergoeding aan de bank moeten betalen om goed op hun geld te letten. Het omgekeerde van wat er in ons land in zwang is.