Zowat zes op de tien Belgen kunnen dus wat geld opzij zetten tijdens een gewone maand, maar er zijn regionale verschillen. In Vlaanderen was 68,1 procent in staat te sparen. Dat cijfer zakt tot 50,4 procent in Brussel en 46,1 procent in Wallonië. Bij Belgen die tot de risicogroep voor armoede of sociale uitsluiting behoren, liggen de percentages nog een stuk lager.

Bijna een derde van de Belgen (32,8 procent) kon net rondkomen met het maandelijkse inkomen, 6,1 procent moest gebruik van beschikbaar spaargeld en 1,9 procent moest geld lenen.

Vier op de tien Belgen zijn ook niet in staat om zonder inkomen langer dan drie maanden verder te leven volgens dezelfde levensstandaard. Zowat 21 procent kan die aanhouden tussen de drie en zes maanden, 13,1 procent geeft aan zes tot twaalf maanden verder te kunnen met het spaargeld en nog eens 25,7 procent kan meer dan een jaar dezelfde levensstandaard behouden met spaargeld. In Vlaanderen blijft het aandeel mensen dat niet langer dan drie maanden kan teren op spaargeld wel beperkt (28,6 procent), tegenover Wallonië (55,6 procent) en Brussel (57,6 procent).

De marge is het minst breed bij de Belgen die werkloos zijn: 72,8 procent geeft aan niet langer dan drie maanden verder te kunnen volgens dezelfde levensstandaard. Bij Belgen die in een eenoudergezin wonen gaat het om 70,6 procent, bij huurders is dat aandeel 69,2 procent en bij laagopgeleiden 52,5 procent.

Zowat zes op de tien Belgen kunnen dus wat geld opzij zetten tijdens een gewone maand, maar er zijn regionale verschillen. In Vlaanderen was 68,1 procent in staat te sparen. Dat cijfer zakt tot 50,4 procent in Brussel en 46,1 procent in Wallonië. Bij Belgen die tot de risicogroep voor armoede of sociale uitsluiting behoren, liggen de percentages nog een stuk lager. Bijna een derde van de Belgen (32,8 procent) kon net rondkomen met het maandelijkse inkomen, 6,1 procent moest gebruik van beschikbaar spaargeld en 1,9 procent moest geld lenen. Vier op de tien Belgen zijn ook niet in staat om zonder inkomen langer dan drie maanden verder te leven volgens dezelfde levensstandaard. Zowat 21 procent kan die aanhouden tussen de drie en zes maanden, 13,1 procent geeft aan zes tot twaalf maanden verder te kunnen met het spaargeld en nog eens 25,7 procent kan meer dan een jaar dezelfde levensstandaard behouden met spaargeld. In Vlaanderen blijft het aandeel mensen dat niet langer dan drie maanden kan teren op spaargeld wel beperkt (28,6 procent), tegenover Wallonië (55,6 procent) en Brussel (57,6 procent). De marge is het minst breed bij de Belgen die werkloos zijn: 72,8 procent geeft aan niet langer dan drie maanden verder te kunnen volgens dezelfde levensstandaard. Bij Belgen die in een eenoudergezin wonen gaat het om 70,6 procent, bij huurders is dat aandeel 69,2 procent en bij laagopgeleiden 52,5 procent.