Toen ik in januari 2017 vijftig werd, vreesde ik dat de postbus zou uitpuilen met uitnodigingen voor de actieve senioren, reclame voor blauwe pilletjes, aanbiedingen voor gezellige busreizen en invitaties om mijn uitvaart alvast te regelen. Niets van dat. Niemand heeft me sindsdien ook aangesproken als oudere werknemer. Sommigen vinden me zelfs wat 'junior' voor mijn zwaar beroep.

Niet eens zo lang geleden werden alle werkende 45-plussers als oudere werknemers geordend. Samen met de geleidelijke afbouw van de regelingen voor vervroegde uittreding, is die grens langzaam opgeschoven naar de leeftijd van 50. In de arbeidsmarktstatistieken ligt de demarcatie vandaag zelfs op 55 jaar.

Het wijst op voortschrijdend maatschappelijk inzicht. Voor mij biedt dat een uitstekend vooruitzicht. Want als dat zo doorgaat, dan word ik nooit een oudere werknemer. Het pleziert me overigens dat het stereotyperende 'oudere werknemer' stilaan uit het Vlaamse lexicon verdwijnt.

Ook de statistieken ogen almaar beter. Nooit eerder waren zoveel 55-plussers actief op de arbeidsmarkt. In 2005, het jaar van de stakingen tegen het Generatiepact van Verhofstadt II, telde de Vlaamse arbeidsmarkt zo'n 250.000 werkende 55-plussers. In 2016 was dat aantal opgelopen tot 447.000.

Die toename heeft zich vertaald in een spectaculaire stijging van het aandeel werkende 55-plussers. In 2005 waren er dat amper 36 op de 100, in 2016 ongeveer 52 op de 100. Ook al vinden sommigen dat nog magertjes, ik had in 2005 geen geld durven in te zetten op zo'n opzienbarende omslag.

In dezelfde periode hebben de opeenvolgende regeringen belangrijke beslissingen over ons loopbaanmodel genomen. Ik denk onder meer aan de afbouw van de vervroegde uittrede, de langere activering van werklozen en de gefaseerde verhoging van de pensioenleeftijd. Ik behoor al tot de cohorte die tot 67 jaar mag werken. De verhoging van de pensioenleeftijd is een belangrijke maatregel. Ze vormt een cruciale hefboom voor actiever ouder worden en voor een wijzigend levens- en loopbaanmodel.

Dat oogt mooi. We hebben met zijn allen bewezen dat we iets over hebben voor de intergenerationele solidariteit. Toch maak ik me zorgen over een toenemende zorgeloosheid. Wie denkt dat het nu allemaal wel goed komt, vergist zich. Want de economische afhankelijkheid loopt snel op. In Vlaanderen staan vandaag 100 Vlaamse werkenden in voor 136 niet-werkenden. Bij een gelijkblijvend beleid zal die verhouding, als gevolg van de vergrijzing, tegen 2025 oplopen tot 100 werkenden voor 154 niet-werkenden. Indien de maatregelen van de regeringen-Di Rupo en -Michel voluit benut worden, dan kunnen we de toename beperken tot 100/144. Verontrustend is dat de ratio in het Waals Gewest nu al op 100/173 staat.

Wie denkt dat het nu allemaal wel goed komt, vergist zich.

Wie de Jaarverslagen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing erbij neemt, zal beseffen dat een verdere verlenging van de actieve arbeidsloopbaan vroeg of laat op de agenda zal komen. In een land als Zweden is dat debat al jaren aan de gang. Er wordt gestreefd naar een verhoging van de pensioenleeftijd van 67 naar 69 jaar. Ook de Duitse centrale bank gaat er in haar simulaties intussen vanuit dat de pensioenleeftijd op termijn naar 69 jaar moet.

In 2014 legde de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 de basis voor een structurele hervorming van de pensioenstelsels. Met goed doordachte en duurzame maatregelen die niet leiden tot afbouw van rechten maar tot een "sterk en betrouwbaar sociaal contract". Ik was blij met dat gedegen werk.

Maar wie vandaag, vier jaar later, de traagheid van de pensioenhervorming gadeslaat, moet vrezen dat de moed ontbreekt om de solidariteit te redden. Wie de nieuwe polarisering in het loopbaaneindedebat aanschouwt, mag vrezen dat we het momentum verliezen. Wie de helft van de jobs in de overheidssector als een zwaar beroep omschrijft, ondermijnt de sociale verbondenheid en is de vervroegde uittrede aan het heruitvinden.