Het aanvullend pensioen - ook bekend als de tweede pijler - is een aanvulling op het wettelijk pensioen, die je kan opbouwen als werknemer of zelfstandige. Het wordt meestal uitbetaald als je met pensioen gaat of als je het moment bereikt dat je op wettelijk pensioen zou kunnen gaan.

Het regeerakkoord van de Vivaldiploeg heeft de ambitie dat elke werknemer gedekt wordt door een aanvullend pensioenplan dat een bijdrage van minstens 3 procent van het brutoloon omvat. De regering zal de sociale partners vragen zich daarover te buigen. Op vraag van minister van Pensioenen Karin Lalieux (PS) onderzocht Sigedis hoe het er vandaag voorstaat met de aanvullende pensioenen.

Daarbij werd gekeken naar alle mensen die in 2019 in België woonden en effectief werkten. In totaal ging het om meer dan 3,7 miljoen werknemers. Daarvan had 36 procent helemaal geen tweede pensioenpijler of bouwden niet langer actief aanvullende pensioenrechten op. De andere 2,4 miljoen werknemers bouwden dus wel actief aanvullend pensioen op. In totaal werd er in 2019 bijna 4 miljard euro bijgedragen aan het aanvullend pensioen voor werknemers.

Grote verschillen

Binnen de groep die actief opbouwde, liggen de gemiddelde bijdragen echter sterk uiteen. De jaarlijkse bijdrage van die groep bedroeg gemiddeld 3,5 procent, maar voor de helft van de actief aangesloten werknemers, lag het bijdragepercentage wel lager dan 2 procent. Alles samengeteld komt het er op neer dat 76 procent van alle werknemers het percentage van 3 procent niet haalt, ofwel omdat ze helemaal geen tweede pijler hadden (36 procent), ofwel omdat ze niet voldoende gedekt waren (40 procent).

Vertaald naar euro's betekent het dat er nog 1,56 miljard euro nodig zou geweest zijn om iedereen naar de 3 procent te tillen, en dat bovenop de jaarlijkse bijdrage van 4 miljard euro. Het gaat om 800 miljoen euro bij de werknemers die geen opbouw hadden en 750 miljoen euro in de groep met opbouw, maar met een te laag percentage. In die categorie moet liefst 66 procent de huidige bijdrage verdubbelen om de 3 procent te halen.

Het onderzoek leert ook dat de deelname aan de tweede pijler hoger ligt naarmate de lonen stijgen en dat het percentage dan ook vaker wordt gehaald. Bij de laagste lonen bouwde een op drie werknemers een aanvullend pensioen op, terwijl de participatiegraad bij de hoogste lonen opliep tot 87 procent. Er zijn ook verschillen in pensioenopbouw afhankelijk van de sector.

Het aanvullend pensioen - ook bekend als de tweede pijler - is een aanvulling op het wettelijk pensioen, die je kan opbouwen als werknemer of zelfstandige. Het wordt meestal uitbetaald als je met pensioen gaat of als je het moment bereikt dat je op wettelijk pensioen zou kunnen gaan. Het regeerakkoord van de Vivaldiploeg heeft de ambitie dat elke werknemer gedekt wordt door een aanvullend pensioenplan dat een bijdrage van minstens 3 procent van het brutoloon omvat. De regering zal de sociale partners vragen zich daarover te buigen. Op vraag van minister van Pensioenen Karin Lalieux (PS) onderzocht Sigedis hoe het er vandaag voorstaat met de aanvullende pensioenen. Daarbij werd gekeken naar alle mensen die in 2019 in België woonden en effectief werkten. In totaal ging het om meer dan 3,7 miljoen werknemers. Daarvan had 36 procent helemaal geen tweede pensioenpijler of bouwden niet langer actief aanvullende pensioenrechten op. De andere 2,4 miljoen werknemers bouwden dus wel actief aanvullend pensioen op. In totaal werd er in 2019 bijna 4 miljard euro bijgedragen aan het aanvullend pensioen voor werknemers. Binnen de groep die actief opbouwde, liggen de gemiddelde bijdragen echter sterk uiteen. De jaarlijkse bijdrage van die groep bedroeg gemiddeld 3,5 procent, maar voor de helft van de actief aangesloten werknemers, lag het bijdragepercentage wel lager dan 2 procent. Alles samengeteld komt het er op neer dat 76 procent van alle werknemers het percentage van 3 procent niet haalt, ofwel omdat ze helemaal geen tweede pijler hadden (36 procent), ofwel omdat ze niet voldoende gedekt waren (40 procent). Vertaald naar euro's betekent het dat er nog 1,56 miljard euro nodig zou geweest zijn om iedereen naar de 3 procent te tillen, en dat bovenop de jaarlijkse bijdrage van 4 miljard euro. Het gaat om 800 miljoen euro bij de werknemers die geen opbouw hadden en 750 miljoen euro in de groep met opbouw, maar met een te laag percentage. In die categorie moet liefst 66 procent de huidige bijdrage verdubbelen om de 3 procent te halen. Het onderzoek leert ook dat de deelname aan de tweede pijler hoger ligt naarmate de lonen stijgen en dat het percentage dan ook vaker wordt gehaald. Bij de laagste lonen bouwde een op drie werknemers een aanvullend pensioen op, terwijl de participatiegraad bij de hoogste lonen opliep tot 87 procent. Er zijn ook verschillen in pensioenopbouw afhankelijk van de sector.