De vakbonden en de werkgevers zijn het niet eens geraakt over het pensioen met punten. Het Nationaal Pensioencomité, waarin de sociale partners zitten, zal een verdeeld advies geven, want de vakbonden zijn tegen. De federale regering is nu aan zet. Ze talmt het best niet en moet in dat dossier nog deze legislatuur een beslissing nemen.

Het pensioen met punten houdt in dat de hele loopbaan wordt uitgedrukt in punten: iedereen krijgt 1 punt per gewerkt jaar en je moet 45 punten verzamelen. In principe moet men dus 45 jaar aan de slag voor iemand met pensioen kan. In principe, want wie een zwaar beroep heeft, krijgt meer punten per jaar. Ook zouden periodes van inactiviteit of werkloosheid in beperkte mate worden meegeteld als gewerkte jaren. Aan het einde van de loopbaan worden de pensioenpunten omgezet in een pensioenbedrag.

Regering moet pensioen met punten zelf invoeren

Die hervorming is noodzakelijk en wenselijk. Het voorstel - dat als eerste gelanceerd werd door de Commissie Pensioenhervorming onder leiding van ex-minister Frank Vandenbroucke (sp.a) - moet de band tussen werk en pensioenuitkering versterken. Het is een transparant en billijk systeem. De pensionering wordt gekoppeld aan een referentieloopbaan, niet aan de leeftijd.

Dat zet aan tot verantwoordelijkheid. Wie vroeger stopt, heeft minder punten en bijgevolg een lager pensioen. Het pensioen met punten moet de Belgen langer doen werken. De huidige reële uittredeleeftijd is met 60 jaar nog altijd te laag.

Het systeem beantwoordt ook aan de trend dat Belgen meer en meer een gemengde loopbaan hebben: deels als werknemer, deels zelfstandige en/of als ambtenaar. Wie telkens een aantal jaren in één van die stelsels werkt, dreigt in sommige gevallen net te weinig jaren te hebben gepresteerd in elk specifiek stelsel om recht te hebben op een degelijk pensioen of zelfs een minimumpensioen. Met het pensioen met punten wordt dat probleem opgelost. In Zweden bestaat al zo'n systeem. Dat laat toe dat iedereen elk jaar kan zien hoeveel punten er al verzameld zijn.

De kritiek op het systeem komt er vooral door de onduidelijkheid over de omzetting van de pensioenpunten in een pensioenbedrag

De kritiek op het systeem komt er vooral door de onduidelijkheid over de omzetting van de pensioenpunten in een pensioenbedrag. Zal een regering de waarde van een pensioenpunt in de toekomst wegens budgettaire redenen niet neerwaarts bijstellen? Ondenkbaar, volgens minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR): er wordt in de wet over het puntensysteem ingeschreven dat het bedrag niet zal kunnen dalen.

De minister van Pensioenen heeft altijd gezegd dat de hervorming tegen het einde van de legislatuur moet gestemd worden om ten laatste in 2025 in werking te treden. Het njet van de vakbonden is geen alibi om te talmen. De regering moet het pensioen met punten snel zelf invoeren. Want het pensioenpalmares van de regering oogt voorlopig te mager.

Akkoord, er is beslist om de wettelijke pensioenleeftijd tegen 2025 op te trekken naar 66 jaar, en in 2030 naar 67 jaar. De regels rond vervroegde pensionering en stelsels van vervroegde uittreding zoals het brugpensioen zijn strenger geworden. In de ambtenarenpensioenen zijn beperkte hervormingen doorgevoerd: zo dooft vanaf 2019 het gunstregime uit waardoor loopbaanjaren bij ambtenaren zwaarder doorwegen.

Maar die maatregelen zijn onvoldoende om de oplopende vergrijzingkosten onder controle te krijgen. Dat proces is al een tijd aan de gang. Aan het begin van de legislatuur eind 2014 bedroeg de totale pensioenfactuur 40 miljard euro. In 2019 zal die gestegen zijn naar 48 miljard euro. Een toename van 1,7 miljard euro per jaar.