Die 'pensioenval' voor werknemers is volgens Ombudsman Pensioenen Tony Van Der Steen een algemeen gevolg van de fiscaliteit, waarbij de groep mensen in een bepaalde inkomensschijf een iets hoger brutopensioen niet vertaald ziet in het nettobedrag, door hogere progressieve belastingen.

De situatie werd eerder al aangekaart door de Gezinsbond, en wordt nu dus bevestigd in de berekeningen van het Planbureau. Volgens de Gezinsbond gaat het om ruim 322.000 mensen, vooral vrouwen en deeltijds werkenden, maar die informatie kan het Planbureau niet bevestigen.

Minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR) verzekerde al dat er aan oplossing wordt gewerkt. Ambtenaren, werknemers en zelfstandigen zullen in het nieuwe systeem 1.500 euro moeten neertellen per studiejaar dat ze willen afkopen in de eerste tien jaar na hun studies. Voor werknemers is dat nu nog 1.415 euro. Wie langer wacht dan tien jaar na het afronden van de studies, betaalt een hoger bedrag. Tot halfweg 2020 komt er wel een overgangsperiode waarin werknemers ouder dan 20 hun studiejaren kunnen afkopen voor 1.500 euro per diplomajaar, ongeacht het punt waarop ze zich in hun loopbaan bevinden.

Het wetsontwerp kreeg al groen licht in de Kamercommissie Sociale Zaken. Het moment waarop men de regularisatieaanvraag doet, is volgens het Planbureau vooral van tel tijdens de overgangsperiode: dan telt dat wie dichter bij de pensioenleeftijd staat, de bijdrage sneller terugverdient.

Na 2020 speelt dat effect minder, al is het dan vaak een stuk minder voordelig om studiejaren af te kopen als de studies al meer dan tien jaar achter de rug zijn. Tot slot speelt ook het inkomen een rol.

Bij de hogere inkomens geldt dat hoe meer iemand verdient, hoe langer het duurt vooraleer het afkopen van studiejaren is terugverdiend. Bij de lagere inkomenscategorieën speelt dat effect niet.