Tot nu toe geldt er een wettelijk minimumrendement van 3,25 procent op de stortingen van de werkgever en 3,75 procent op de stortingen van de werknemer. Vanaf 1 januari 2016 zou het minimumrendement berekend worden op basis van de Belgische tienjarige rente, met een minimum van 1,75 procent en een maximum van 3,25 procent. De minister van Pensioenen, Daniel Bacqelaine, had de sociale partners gevraagd om een voorstel tot wetswijziging te doen.
...

Tot nu toe geldt er een wettelijk minimumrendement van 3,25 procent op de stortingen van de werkgever en 3,75 procent op de stortingen van de werknemer. Vanaf 1 januari 2016 zou het minimumrendement berekend worden op basis van de Belgische tienjarige rente, met een minimum van 1,75 procent en een maximum van 3,25 procent. De minister van Pensioenen, Daniel Bacqelaine, had de sociale partners gevraagd om een voorstel tot wetswijziging te doen. Voor de details van het akkoord bekend waren, had Bacquelaine al een reactie naar de pers gestuurd. "Ik ben verheugd over dit akkoord dat zou moeten bijdragen tot de veralgemening van de aanvullende pensioenen. In overleg met de sociale partners zal ik, wanneer het akkoord bevestigd wordt, zo snel mogelijk een wetsontwerp voorleggen aan de ministerraad."Het verschil tussen het nieuwe minimumrendement en het maximumrendement is vrij groot. In het allerslechtste geval betekent dit dat het aanvullende pensioen van een startende werknemer over een volledige loopbaan, bij dezelfde werkgever, 29 procent lager kan liggen, dan bij het vorige wettelijke minimumrendement. De werkgever kan het beheer van het aanvullende pensioen uitbesteden aan een verzekeraar, via een groepsverzekering, of aan een bedrijfs- of sectorpensioenfonds, een instelling die daarvoor speciaal in het leven geroepen wordt. De vakbonden beschouwen het aanvullende pensioen als uitgesteld loon.Vroeger hadden werkgevers enkel voor managers en kaderleden zo'n groepsverzekering. Op een bepaald moment is het besef gekomen dat een aanvullend pensioen voor iedereen nodig is. Het gemiddelde pensioen is ongeveer 1000 euro, een pak minder dan wat de meeste werkende mensen netto verdienen in een maand. Sinds de wet op de aanvullende pensioenen in 2003 is er hard gewerkt om die tweede pijler uit te breiden, zodat meer bedienden en arbeiders ook zo'n extraatje krijgen als ze met pensioen gaan. Meer dan 2 miljoen werknemers bouwen nu via hun werkgever een aanvullend pensioen op.De verzekeraars hebben vijf jaar geleden voor het eerst aan de alarmbel getrokken. Ze waarschuwden - toen al - dat hun beleggingen niet voldoende opbrachten om het wettelijke minimumrendement van gemiddeld 3,25 procent per jaar op de bijdragen van de werkgever te garanderen. Verzekeraars beleggen vooral in obligaties, dat zijn in feite leningen, waarop ze elk jaar een rente opstrijken. Ter illustratie: in 2010 schommelde de rente op tienjarige Belgische overheidsobligaties tussen 3 en 4 procent. Dat is dus wat de Belgische staat betaalt om geld te lenen. Nu is die tienjarige Belgische rente minder dan 1 procent.Belangrijk om het huidige debat te begrijpen: de wet op het aanvullende pensioen legt de belofte van 3,25 procent minimumrendement niet in de mond van de verzekeraars. De garantie rust op de schouders van de werkgevers en moet pas gerealiseerd zijn op het moment dat de werknemer met pensioen gaat, of op het moment dat de werknemer zijn pensioenreserves wil meenemen naar een nieuwe werkgever, maar dat gebeurt niet zo vaak. De verzekeraars beloven vandaag nog ongeveer 1,5 procent rendement op groepsverzekeringen. Er is zopas nog een verzekeraar die het gewaarborgde rendement heeft verlaagd naar 1 procent. Als werknemers vertrekken of met pensioen gaan, en er is niet voldoende geld, dan moet de werkgever het tekort bijpassen.Het wettelijk gegarandeerde minimumrendement van 3,25 procent is redelijk arbitrair tot stand gekomen. De inflatie was op dat moment ongeveer 2 procent. Als de prijzen elk jaar met 2 procent stijgen, dan moeten die reserves voor het aanvullend pensioen ook elk jaar 2 procent meer waard worden. Gewoon om ervoor te zorgen dat de werknemers evenveel dingen kunnen kopen en dus hun koopkracht behouden. Op dit moment is de inflatie in de eurozone quasi 0 procent.