Bij de vorming van de regering-De Croo werd als doel gesteld: een aanvullend pensioen voor alle werknemers, waarbij minstens 3 procent van het brutoloon opzijgezet wordt voor hun oude dag. Het gaat dan om de zogenoemde tweede pijler van ons pensioenstelsel, dat een aanvulling is op de eerste pijler of het wettelijke pensioen. Het geld voor het aanvullend pensioen wordt geïnvesteerd voor de lange termijn via een groepsverzekering of een bedrijfs- of sectorpensioenfonds. De overheid moedigt de opbouw van het aanvullend pensioen via de werkgever aan met een gunstig fiscaal en parafiscaal kader.
...

Bij de vorming van de regering-De Croo werd als doel gesteld: een aanvullend pensioen voor alle werknemers, waarbij minstens 3 procent van het brutoloon opzijgezet wordt voor hun oude dag. Het gaat dan om de zogenoemde tweede pijler van ons pensioenstelsel, dat een aanvulling is op de eerste pijler of het wettelijke pensioen. Het geld voor het aanvullend pensioen wordt geïnvesteerd voor de lange termijn via een groepsverzekering of een bedrijfs- of sectorpensioenfonds. De overheid moedigt de opbouw van het aanvullend pensioen via de werkgever aan met een gunstig fiscaal en parafiscaal kader.Op de stortingen in die groepsverzekeringen of pensioenfondsen zijn minder belastingen en sociale bijdragen verschuldigd dan op loon. Een beetje kort door de bocht zouden we kunnen stellen dat van een budget van 100 euro een werkgever bijna 86 euro voor het aanvullend pensioen kan storten, terwijl van een loonsverhoging van 100 euro netto minder dan 36 euro overblijft voor de werknemer. De werknemer betaalt bij de uitkering van het kapitaal wel nog belasting (10%) en solidariteitsbijdragen (2%). Er zijn twee redenen om een aanvullend pensioen toe te juichen. Ten eerste is de kloof tussen het laatste loon en het wettelijke pensioen bij veel mensen groot, waardoor ze hun levensstandaard na hun pensionering drastisch moeten aanpassen als ze onvoldoende hebben gespaard. Ten tweede is het wettelijke pensioen een repartitiestelsel dat lijdt onder de vergrijzing. Almaar minder werkenden moeten de pensioenlasten dragen. Het aanvullend pensioen is een kapitalisatiestelsel: de werkende draagt de last voor zijn eigen aanvullend pensioen. De vorige regering maakte al mogelijk dat werknemers een vrij aanvullend pensioen voor werknemers (VAPW) kunnen opbouwen, ook als de werkgever geen pensioenplan heeft voor zijn werknemers. Werknemers kunnen ook een VAPW afsluiten als ze vinden dat er te weinig gespaard wordt. Burgers kunnen in totaal - met hun groepsverzekering of pensioenfonds erbij - tot 3 procent van hun brutoloon in zo'n VAPW storten. Of er nog marge is om meer te sparen voor een aanvullend pensioen, kunt u zien op mypension.be. Op 1 januari 2020 bouwden al 3,6 miljoen werknemers een aanvullend pensioen op, volgens het tweejaarlijkse verslag van de toezichthouder FSMA. Ongeveer 2,1 miljoen werknemers waren aangesloten bij een pensioenstelsel via hun sector, bijna 2 miljoen via hun bedrijf en 319 werknemers zijn aangesloten bij een VAPW. Het doel van de regering-De Croo was dus niet zo veraf, want op 1 januari 2020 waren er iets meer dan 4 miljoen mensen in loondienst.De coronacrisis gooide alles overhoop, ook de sector van de aanvullende pensioenen. Er zijn allerlei noodingrepen gedaan in 2020 om ervoor te zorgen dat mensen die tijdelijk werkloos werden of uitvielen door ziekte of quarantaine, toch gewoon verder een aanvullend pensioen konden opbouwen. Werkgevers konden onder bepaalde voorwaarden uitstel van betaling krijgen voor de bijdrages voor de groepsverzekering of het pensioenfonds, tot september 2021. De koepel van verzekeraars Assuralia laat weten dat er in 2020 ongeveer 4 procent meer geld is gestort in groepsverzekeringen dan in 2019. Het ziet er dus naar uit dat de opbouw van het aanvullend pensioen niet massaal is stopgezet door de pandemie en de economische gevolgen daarvan. Eind 2020 stond 74,4 miljard euro opzij in de groepsverzekeringen, volgens Assuralia. De vereniging van Belgische pensioeninstellingen PensioPlus schat dat er eind juni ongeveer 43 miljard euro in de pensioenfondsen zat. De regeringspartners spraken in het regeerakkoord ook af dat ze de kosten onder de loep zouden nemen, zowel die van de tweede als die van de derde pijler, het pensioensparen. Door de fiscale stimulansen voor het aanvullend pensioen ziet de overheid elk jaar miljarden euro's aan inkomsten aan haar neus voorbijgaan. Het is goed dat de regering-De Croo zich afvraagt of er niet te veel van die stimulansen blijft plakken bij de instellingen die het pensioengeld beheren. Als ze te hoge kosten aanrekenen of weinig efficiënt werken, moet worden bijgestuurd. Eind 2020 en begin 2021 verschenen enkele studies over de tweede pijler. De focus lag vooral op de misgelopen belasting en de verdeling van de aanvullende pensioenen. Minister van Pensioenen Karine Lalieux (PS) zei begin dit jaar dat het onaanvaardbaar is dat de overheid miljarden stopt in een systeem dat "omgekeerd herverdelend" is. De uitspraken veroorzaakten onrust in de sector.Dat grote verdieners ook grote kapitalen opbouwen, is de socialisten al langer een doorn in het oog. In de loop der jaren werden al maatregelen genomen om de excessen uit het systeem te halen, zoals de bijzondere socialezekerheidsbijdrage en de Wijninckx-taks voor de hoogste aanvullende pensioenen. Lalieux beloofde uiteindelijk op verzoek van de sociale partners niet te raken aan de fiscaliteit van het aanvullend pensioen. Voor de zelfstandigen staat in het regeerakkoord niets over een versterking van de tweede pijler van het pensioen. Voor die categorie zou er eerder worden ingezet op een versterking van het wettelijke pensioen door de afschaffing van de zogenoemde correctiecoëfficiënt die gebruikt werd voor de berekening van het pensioen van de zelfstandigen. Sinds de jaren tachtig werd het pensioen van zelfstandigen berekend op 69 procent van hun beroepsinkomsten, om rekening te houden met hun lagere bijdragen aan de sociale zekerheid. Sinds 2021 telt het inkomen voor 100 procent mee. Voor mensen die aan het begin van hun loopbaan staan, kan dat enkele honderden euro's per maand verschil maken na hun pensionering. Er bestaan ook al mogelijkheden voor zelfstandigen om een aanvullend potje bijeen te sparen. We zetten ze op een rij, in de volgorde dat ze fiscaal het meest interessant zijn. Het pensioensparen (derde pijler) en het langetermijnsparen kan respectievelijk tot 990 en 2.350 euro, met een belastingvermindering van 30 procent. Voor die formules is het fiscale voordeel het grootst. Stortingen voor het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ) zijn beperkt tot 8,17 procent van het jaarinkomen. Wie dat aanvult met een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid en invaliditeit - het sociaal VAPZ - mag tot 9,4 procent van het inkomen gaan. Die bijdragen mag de zelfstandige aftrekken van zijn belastingen. Daarnaast is er sinds juni 2018 de pensioenovereenkomst voor zelfstandigen (POZ) zonder vennootschap. Voor zelfstandigen met een vennootschap en bedrijfsleiders bestond al veel langer iets vergelijkbaars: de individuele pensioentoezegging (IPT).