De regering-Michel I zou de gaten in de aanvullende pensioenen opvullen en die stelsels aanpassen aan de 21ste-eeuwse arbeidsmarkt. De lacunes zijn grotendeels gedicht. De regering heeft een vrij aanvullend pensioen geïntroduceerd voor werknemers die geen pensioenplan hebben bij hun werkgever. Ook voor zelfstandigen zonder vennootschap heeft ze een bijkomende vorm van aanvullend pensioen ingevoerd. Ze verdient daarvoor een negen op tien.

De manier waarop de minister van Pensioenen dat fiscaal heeft ingevuld, haalt geflatteerd een drie op tien. De complexiteit is meer dan verdubbeld. Voor elk nieuwigheid is er nieuwe fiscale koterij bij gekomen. Het eindresultaat is dat het fiscale wetboek minstens acht vormen van aanvullend pensioen onderscheidt, telkens met specifieke regels en voordelen. Dat pensioen wordt belast tegen minstens elf belastingtarieven. Is die constructiefout te wijten aan het feit dat de pen werd gehouden door niet-fiscalisten?

Het verschil in voordelen van het aanvullend pensioen is hoogst onrechtvaardig.

Het verschil in voordelen is hoogst onrechtvaardig. De fiscale subsidie verschilt van product tot product. Pieter Gillemon heeft het financiële voordeel voor een aantal van die koterijen becijferd voor een studiedag aan de Leergang Pensioenrecht van de KU Leuven. Hij berekende de verhouding tussen de netto-investering van de pensioenbijdrage (de brutobijdrage verminderd met het fiscale voordeel) en de netto-uitkering (het brutopensioen verminderd met de belastingen), en zette dat om in een jaarlijks rendement in functie van het aantal jaren tussen de bijdrage en de uitkering.

Ik pluk er de uitersten uit. De pensioenbijdrage van een twintigjarige zelfstandige zonder vennootschap krijgt een fiscale prikkel van 0,34 procent, en die van een 64-jarige 16,65 procent. Het fiscale rendement van een werkgeversbijdrage voor een werknemer van twintig jaar bedraagt 1,92 procent (maal zes) en die voor een 64-jarige 134,89 procent (maal acht). De schatkist zorgt dus soms voor een hoger rendement dan de bijdrage zelf. Nochtans werken ze allebei en betalen ze allebei dezelfde belasting. Wat is de rechtvaardiging van dit onderscheid? Eerlijk, ik weet het niet. Veel maten, veel gewichten.

Nu de gaten zijn opgevuld, legt de volgende regering het beste de vereenvoudiging en de faire taxatie van de aanvullende pensioenen op haar bord.

De Raad van State heeft de voorbije jaren in twee adviezen al een schot voor de boeg gelost over de fiscale subsidie van sociale voordelen, zoals de aanvullende pensioenen. De Raad meent dat het in het licht van het gelijkheidsbeginsel moeilijk te verantwoorden is waarom een voordeel enkel wordt toegekend aan een belastingplichtige die zich in een specifieke situatie bevindt, die hij niet volledig in handen heeft. Zo heeft niet iedereen op 64 jaar een werkgeverspensioenbijdrage met een voordeel van 136 procent.

Nu de gaten zijn opgevuld, legt de volgende regering het beste de vereenvoudiging en de faire taxatie van de aanvullende pensioenen op haar bord. Een faire taxatie leidt ook automatisch tot een vereenvoudiging. Alle actieven zouden een fiscale pensioenrugzak moeten krijgen die hun werkgevers of zijzelf over hun hele loopbaan proportioneel gelijk kan vullen in functie van hun inkomen. De fiscale prikkel moet procentueel gelijk zijn voor iedereen. Het zal wel moed vergen: de ene wint, de andere verliest.

Daardoor kunnen de fiscale koterijen ook eenvoudig naar twee of zelfs naar één worden gebracht. Voor zelfstandigen, al dan niet met vennootschap, kan het aanvullend pensioen perfect in het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen worden ingekapseld. En het vrij aanvullend pensioen voor werknemers fiscaal samensmelten met een collectief pensioenplan is een fluitje van een cent.