Het wettelijk gegarandeerde rendement op dit zakcentje voor uw oude dag staat al een tijd ter discussie. De verzekeraars trokken voor het eerst aan de alarmbel over het te hoge gegarandeerde rendement in september 2010 (zie kader onderaan voor meer uitleg over het probleem).

De hoogte van het rendement maakt deel uit van de gesprekken tussen werknemers en werkgevers in de Nationale Arbeidsraad (NAR). Als werknemers en werkgevers niet tot een compromis komen voor eind juni, dan zal de regering "haar verantwoordelijkheid" nemen. Het is zo goed als zeker dat het wettelijk gegarandeerde rendement flexibeler en minder hoog wordt. Zo stond het ook min of meer in de aanbevelingen van de Commissie Pensioenen en in het regeerakkoord van de regering-Michel.

Er doet een aantal misverstanden de ronde. Hier de harde waarheid, in drie punten.

1) De kans is groot dat je minder pensioen zal krijgen

Tot nu toe staat in de wet dat de stortingen van de werkgever gemiddeld 3,25 procent per jaar moeten opbrengen. Voor de stortingen van de werknemer is dat zelfs 3,75 procent. Dat geld moet er liggen op het moment dat u met pensioen gaat en u uw aanvullend pensioen wil opsouperen. In de praktijk is het totale rendement iets minder omdat er tot 5 procent beheerskosten mogen worden aangerekend.

Voor de verzekeraars is het niet meer verantwoord zulke hoge rendementen te beloven. Zij beleggen het geld in obligaties met een lange looptijd. Maar veilige obligaties brengen vandaag bijlange na niet zoveel meer op.

De verzekeraar Ethias zit vandaag in nauwe schoentjes, omdat hij in het verleden onverantwoord hoge rendementen beloofde voor een heel lange termijn op zijn First-levensverzekeringen.

We willen geen extra probleemgevallen, zoals Ethias, in de Belgische verzekeringssector, want uiteindelijk draait de belastingbetaler daarvoor op.

Ook de pensioenfondsen komen mogelijk in de problemen door de huidige, historische lage rente. Hoe lager de rente, hoe zwaarder de toekomstige verplichtingen wegen. Ook zij zijn vragende partij om de wet aan te passen.

2) Een verlaging van 3,25 procent naar 0,4 procent is nog lang niet aan de orde

"Een artikel op de voorpagina van De Standaard heeft de gemoederen verhit door een misleidend beeld te schetsen", klonk het in een persbericht dat de sectorfederatie Assuralia woensdagavond uitstuurde in een poging die verhitte gemoederen te bedaren.

De verzekeraars sturen naar eigen zeggen niet aan op een gewaarborgde rente van 0,4 procent in plaats van 3,25 procent. Ze vragen wel al heel lang een variabel minimumrendement, afhankelijk van de marktsituatie. Ze suggereren daarvoor een link met tienjarig Belgisch staatspapier.

"Er is een Europese richtlijn die stelt dat verzekeraars slechts 60 procent van het rendement op overheidsobligaties mogen garanderen als rendement op levensverzekeringen. Europa specifieert niet welk staatspapier, maar we kunnen daarbij geen rekening houden met hoogrentend staatspapier uit onveilige landen", zei Philippe Colle, de voorzitter van Assuralia, twee weken geleden in Trends.

Belgische overheidsobligaties op tien jaar brengen ongeveer 0,6 procent op. Dat zou betekenen dat het gewaarborgde rendement voor de groepsverzekeringen richting 0,36 procent moet, als de rente nog lang zo laag blijft. "Pas op. Het kan ook weer stijgen als de rente op staatspapier stijgt", verduidelijkte Colle. "Het gaat in twee richtingen."

Onlangs lanceerde Philip Neyt, de spreekbuis van de pensioenfondsen, eveneens in Trends een tegenvoorstel. In plaats van een link met Belgisch staatspapier wil hij een link met de inflatie.

Neyt: "Wij hielden bij de invoering van het wettelijke minimumrendement in 2004 geen rekening met deflatie. De wettelijke rendementsgarantie hield, na aftrek van inflatie, een reëel rendement van 1,25 procent per jaar in. Als de inflatie in 2015 uitkomt op -0,1 procent, zoals het Planbureau verwacht, dan hou je 3,35 procent reëel rendement over. Dat was niet de bedoeling. Je zou het nominale minimumrendement van 3,25 procent in de wet kunnen vervangen door een reëel minimumrendement, na verrekening van de inflatie dus, van 1,25 procent op jaarbasis. Zo blijf je trouw aan de geest van de wet en bescherm je nog altijd de koopkracht van de werknemers."

Colle en Neyt mogen zo veel voorstellen doen als ze willen. Uiteindelijk zijn het de sociale partners die beslissen, of de regering als de partners er niet uit geraken. De wettelijke rendementsgarantie maakt immers deel uit van de sociale wetgeving.

3) Niet de verzekeraar, maar jouw werkgever garandeert jouw aanvullend pensioen

De pensioenfondsen en de verzekeraars vragen de aanpassing van de wet niet alleen voor zichzelf. Zij vragen dat ook voor de werkgevers. Want volgens de wet zijn het niet de verzekeraar of de pensioenfondsen, maar de werkgevers die u 3,25 procent en 3,75 procent rendement beloven.

De verzekeraars garanderen nu al minder dan het wettelijke minimumrendement in hun contracten. De meesten garanderen om en bij 2 procent, maar verschillende verzekeraars kondigden al een verdere verlaging aan. Tot nu toe pasten een aantal verzekeraars het verschil bij met de winstdeelnames. Die situatie is echter niet houdbaar en in de toekomst zullen werkgevers het verschil moeten bijpassen.

Na de beurscrash in 2008 moesten verschillende werkgevers geld bijstorten in hun pensioenfonds. En nu moeten bedrijven een potje opzijzetten om de kloof te dichten tussen het gewaarborgde rendement op een groepsverzekering en het wettelijk gewaarborgde rendement (3,25%).

De kosten voor de bedrijven dreigen op termijn hoog op te lopen. De groei van de groepsverzekering is volledig stilgevallen. Vorig jaar stortten bedrijven en werknemers ruim 4 procent minder in groepsverzekeringen. Er worden nog amper nieuwe groepsverzekeringen afgesloten, omdat de bedrijven het risico te hoog vinden.(IDW)

Het probleem

De meeste bedrijven hebben het beheer van het aanvullende pensioen van hun werknemers uitbesteed aan verzekeraars. Door de historisch lage rente op overheidsobligaties kunnen de verzekeraars het wettelijke minimumrendement van 3,25 procent niet meer 'verzekeren', waardoor het risico voor een groot deel bij de bedrijven is terechtgekomen. Zij moeten garant staan voor het minimumrendement en moeten extra geld storten wanneer er tekorten opduiken. Bij verschillende pensioenfondsen waren er in 2008 bijvoorbeeld tekorten, na de crash van de beurzen. Vandaag moeten de bedrijven een reservepotje aanleggen om het verschil tussen het rendement op groepsverzekeringen en het wettelijke minimumrendement op de pensioenleeftijd van hun werknemers bij te passen. Bedrijven durven daardoor al jaren geen nieuwe groepsverzekeringen meer af te sluiten. De verzekeraars pleiten al geruime tijd voor een wettelijk minimumrendement gekoppeld aan Belgische overheidsobligaties met een looptijd van tien jaar. "Belgische overheidsobligaties zijn een slechte referentie door de volatiliteit en de complexiteit", vindt Philip Neyt. "Bovendien beleggen pensioenfondsen niet uitsluitend in overheidsobligaties. Er zijn zelfs Belgische pensioenfondsen die alle overheidsobligaties uit de eurozone uit hun portefeuille hebben geweerd, omdat ze vinden dat ze te weinig vergoeding krijgen voor het risico dat ze lopen. Pensioenfondsen spreiden meer en meer over verschillende soorten obligaties. Ze investeren tegenwoordig meer in bedrijfsobligaties dan in overheidsobligaties. Obligaties maakten eind vorig jaar ongeveer 47 procent van de portefeuilles uit, aandelen 35 procent. Daarnaast beleggen ze nog in vastgoed, infrastructuur, enzovoort."