In het federale regeerakkoord staat minder over de hervormingen van de pensioenen dan in het vorige regeerakkoord. "Maar met Alexander De Croo (2012-2014), Vincent Van Quickenborne (2011-2012) en Frank Vandenbroucke (1999-2004) telt deze regering drie ex-ministers van Pensioenen", zegt professor Ria Janvier van de Universiteit Antwerpen. "Die drie zouden de pensioenproblematiek als hun broekzak moeten kennen. Vandenbroucke heeft mee de pen vastgehouden voor het rapport van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040, waar de regering-Michel de mosterd haalde voor haar pensioenhervormingen."
...

In het federale regeerakkoord staat minder over de hervormingen van de pensioenen dan in het vorige regeerakkoord. "Maar met Alexander De Croo (2012-2014), Vincent Van Quickenborne (2011-2012) en Frank Vandenbroucke (1999-2004) telt deze regering drie ex-ministers van Pensioenen", zegt professor Ria Janvier van de Universiteit Antwerpen. "Die drie zouden de pensioenproblematiek als hun broekzak moeten kennen. Vandenbroucke heeft mee de pen vastgehouden voor het rapport van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040, waar de regering-Michel de mosterd haalde voor haar pensioenhervormingen." Professor Yves Stevens van de KU Leuven wijst erop dat Vandenbroucke tegelijk ook minister van Werk was. De beleidsdomeinen arbeidsmarkt en pensioenen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als we erin slagen mensen langer aan het werk te houden, worden de pensioenen vanzelf iets betaalbaarder. Minister van Pensioenen Karine Lalieux en minister van Werk Pierre-Yves Dermagne zijn allebei PS'ers. Dat bevordert hopelijk de samenwerking. "Problemen op de arbeidsmarkt moet je niet oplossen via de pensioenen", voegt professor Janvier eraan toe. "Als iemand langdurig werkloos is, moet je hem of haar niet straffen met een lager pensioen. Je moet werklozen sneller aan een baan helpen." Hieronder vindt u enkele belangrijke passages over de pensioenen in het regeerakkoord. We beginnen met wat we niet in het regeerakkoord lezen. Over de zware beroepen staat niets in het verslag van de formateurs, zoals we dit regeerakkoord eigenlijk moeten noemen. "De regering wil zich niet opnieuw wagen aan de discussie over de zware beroepen, die een doos van Pandora bleek", zegt Janvier. "Het concept was goed. Wie een zware functie heeft, zou vervroegd met pensioen kunnen, door zware loopbaanjaren meer te laten wegen. Alleen vindt iedereen dat hij of zij een zware functie heeft. Het is heel moeilijk dat objectief te bepalen." Ook professor Stevens is blij dat de discussie over de zware beroepen voorgoed van tafel is. "Het was de bananenschil waarop de vorige minister van Pensioenen is uitgegleden", vindt hij. Stevens vindt het positief dat deze regering het overleg met de sociale partners opnieuw wil opwaarderen. In het hoofdstuk over de pensioenen staat wel vijf keer dat de sociale partners zullen worden betrokken bij hervormingen of studies daarover. "Dat stemt mij hoopvol, want pensioenen zijn een materie van de sociale partners, waarover niet mag worden beslist vanuit een ivoren toren." Voor de publieke sector was wel een lijst met zware beroepen opgesteld in 2018, maar die was voor bepaalde regeringspartners veel te lang. "Ambtenaren hebben een apart pensioensysteem. Heel wat ambtenaren moeten geen 45 jaar werken voor een volledige loopbaan", zegt Janvier. "Er zijn nog heel veel voordelige loopbaanbreuken of tantièmes in het ambtenarenstelsel, ook in het onderwijs. De lijst met zware functies die circuleerde voor de publieke sector, betekende een besparing voor de ambtenarenpensioenregeling. Voor het pensioensysteem van werknemers en zelfstandigen zou een lijst met zware beroepen leiden tot hogere uitgaven", licht Janvier toe. Dat kan deze regering missen als kiespijn, zeker nu de steunmaatregelen voor de eerste en de tweede coronagolf blijven aantikken en de belastinginkomsten voor 2020 mager zullen uitvallen. "Je kunt werk en pensioen niet scheiden", vindt professor Janvier. "In Nederland worden gewezen brandweerlui bijvoorbeeld opgeleid tot verzekeringsexperts die brandschade kunnen beoordelen. Ze hebben daarvoor al belangrijke kennis opgebouwd tijdens hun carrière. Het is niet ideaal een 60-jarige de brandweerladder op te sturen, maar dat wil niet zeggen dat hij zich niet op een andere manier nuttig kan maken. In België gebeurt omscholen nauwelijks." Voor Janvier is het onaanvaardbaar dat wij mensen op vrij jonge leeftijd afschrijven, zonder dat we zoeken naar alternatieve banen. De regering lijkt zich bewust van het probleem: "Teneinde de effectieve loopbaanduur van de werknemers op te trekken, zullen er maatregelen worden genomen inzake eindeloopbaanregeling. Dat kan onder meer worden gerealiseerd via het deeltijdse pensioen, de zachte landingsbanen, de vorming en heroriëntatie doorheen de loopbaan, en door de overdracht van knowhow tussen generaties van werknemers te bevorderen." Van het deeltijdse pensioen verwacht Janvier niet veel heil, omdat het pas zal kunnen vanaf de leeftijd waarop mensen met vervroegd pensioen kunnen. "Je moet minstens 63 zijn en minstens 42 loopbaanjaren hebben", legt Janvier uit. "Voor laaggeschoolden is zo'n deeltijds pensioen misschien een optie, maar voor hooggeschoolden veel minder. Neem iemand die op zijn 23ste afstudeert in de rechten. Die kan ten vroegste op zijn 65ste met vervroegd pensioen. Die laatste twee jaar zal hij ook nog wel kunnen uitzingen. De flexibiliteit is heel klein. We zitten in een keurslijf vastgesnoerd. Het zou fijn zijn bijvoorbeeld al op 60 jaar deeltijds met pensioen te kunnen om voor de kleinkinderen te zorgen of een hobby uit te oefenen." Het deeltijdse pensioen stond ook al in het vorige regeerakkoord, maar kwam er niet tijdens de vorige legislatuur. De bedoeling is dat werknemers nog een stukje pensioenrechten opbouwen, terwijl ze al een deel van hun pensioen opsouperen. "De verouderde regeling van het ziektepensioen voor arbeidsongeschikte ambtenaren zal geëvalueerd worden, in overleg met de sociale partners en de deelstaten, zeker voor ambtenaren die nog ver verwijderd zijn van de pensioenleeftijd, en meer in lijn worden gebracht met de regeling inzake arbeidsongeschiktheid en de bijbehorende re-integratietrajecten die bestaan bij de werknemers." De regering moet alle lof krijgen als ze het ziektepensioen afschaft, vindt professor Janvier. "Het ziektepensioen van de ambtenaren gaat terug tot de pensioenwet voor ambtenaren uit 1844, toen de redenering was dat we ambtenaren niet zomaar zonder inkomen konden zetten als ze definitief ongeschikt waren voor de uitoefening van hun ambt, ongeacht hun leeftijd of anciënniteit." "Wij stoten mensen op relatief jonge leeftijd uit de actieve bevolking en geven hen de boodschap dat we niets meer met hen kunnen aanvangen. Die mensen krijgen een minimumpensioen en zitten vaak in een penibele situatie", vervolgt Janvier. In de plaats van het ziektepensioen zou het goed zijn als ambtenaren net zoals werknemers met arbeidsongeschiktheid onder de sociale zekerheid zouden vallen. Dat betekent ook dat de overheden als werkgevers daarvoor moeten bijdragen. "Het is niet gemakkelijk te berekenen hoeveel die operatie zal kosten, want er zijn geen cijfers over de afwezigheid bij de overheidsdiensten", zegt Janvier. "Er zal in ieder geval meer aandacht zijn voor de re-integratie. De ambtenaren zullen desnoods manu militari richting een nieuwe baan worden begeleid. Daar ben ik van overtuigd." "Vanaf het moment waarop men voldoet aan de voorwaarden voor het vervroegd pensioen, begint men de pensioenbonus op te bouwen. De regeling wordt ingevoerd voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren. Op die manier versterken we de wettelijke pensioenen en zetten we mensen aan om langer te werken." De regering-Michel oogstte veel kritiek toen ze de pensioenbonus afvoerde. "De pensioenbonus weer invoeren is een stap in de goede richting, maar een malus zou ook nuttig zijn", zegt Janvier. "Vroeger bestond de malus voor werknemers en zelfstandigen. Per jaar dat je vroeger dan de wettelijke pensioenleeftijd met pensioen ging, verminderde je pensioen met 5 procent. Dat verlaagde pensioen bleef doorlopen, ook als je de wettelijke pensioenleeftijd had bereikt." In een bonus-malussysteem sparen mensen pensioenkapitaal bijeen via effectief gewerkte dagen. Hoe vroeger iemand stopt met werken, hoe kleiner het kapitaal dat bovendien over meer jaren moet worden verdeeld. De pensioenuitkering zal dan dus kleiner zijn. Hoe langer iemand blijft werken, hoe groter het kapitaal en hoe minder lang een pensioenuitkering naar verwachting moet worden uitbetaald. Yves Stevens oordeelt iets strenger over de geplande herinvoering van de pensioenbonus. "Die bonus gaat in de praktijk vooral naar mensen die toch nog niet van plan waren met pensioen te gaan. Om mensen werkelijk te overtuigen langer te werken dan ze oorspronkelijk van plan waren, moet de bonus al heel groot zijn. Als dat het doel is, moet er samen met de bonus ook een malus worden ingevoerd. Onderzoek toont aan dat alleen een bonus weinig effect heeft." Politici geven liever iets aan de bevolking dan dat ze iets afpakken. Janvier: "Een systeem met bonussen en malussen biedt veel meer keuzevrijheid. Neem een koppel waarvan de ene partner twintig jaar ouder is dan de andere. Het is logisch dat de jongste partner vroeger met pensioen wil om nog wat leuke dingen samen te doen, en dat kan met zo'n systeem. Je kunt perfect berekenen wat de beslissing om vroeger te stoppen met werken zal kosten." "Het minimumpensioen zal geleidelijk worden opgetrokken richting 1500 euro netto voor een volledige loopbaan. In het geval van een onvolledige loopbaan wordt dit bedrag pro rata verminderd met het verschil tussen 45 jaar en de loopbaan." De socialisten trokken naar de verkiezingen met de belofte van een minimumpensioen van 1500 euro. Op 1 januari 2021 komt er een eerste verhoging van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, de ambtenaren en de werknemers. De volgende drie jaren komen nog verhogingen. Yves Stevens was verrast dat een minimumpensioen van 1500 euro netto in het akkoord werd opgenomen. "Ik zou het geloofwaardiger vinden als er een brutobedrag werd gegarandeerd. Dat is gemakkelijker." "Voor een pensioen van 1500 euro netto heb je allicht een gewaarborgd bedrag van om en bij 1800 euro bruto nodig", meent Ria Janvier. "Het hangt af van de belastingschijf waarin de gepensioneerde valt, rekening houdend met eventuele andere belastbare inkomsten." Ria Janvier vraagt zich ook af welke jaren als loopbaanjaren zullen meetellen. "Het regeerakkoord spreekt van een minimumpensioen van 1500 euro voor een volledige loopbaan van 45 jaar. Tellen we bijvoorbeeld de jaren waarin mensen werkloos zijn geweest volledig mee? Of zullen we kritischer worden?" "Voor toekomstig gepensioneerden wordt naast een minimumloopbaanduur voor het minimumpensioen van 30 jaar voortaan ook een voorwaarde van effectieve tewerkstelling van een nog te bepalen omvang of een equivalente maatregel ingevoerd", lezen we nog in het verslag. Vanaf 1 januari 2021 sneuvelt de correctiecoëfficiënt voor de zelfstandigen. Het inkomen van elk loopbaanjaar dat start na 31 december 2020 zal daardoor voor 100 procent meetellen voor de berekening van het pensioen van zelfstandigen, in plaats van slechts voor 69 procent. "Voor de jaren tot en met 1984 is er een forfaitair pensioen voor de zelfstandigen, onafhankelijk van hun inkomen. Voor de jaren na 1984 is er een evenredig pensioen, naargelang het inkomen waarop ze sociale bijdragen hebben betaald. Werknemers en zelfstandigen hebben dezelfde berekeningsformule voor hun pensioen, met een correctie voor de lagere bijdragen van de zelfstandigen. Die correctiecoëfficiënt drukt de verhouding uit tussen de bijdragen van werknemers en werkgevers aan het pensioen en de lagere bijdrage van zelfstandigen. Als de zelfstandigen een hoger pensioen ambiëren, zal wellicht ook de bijdrage- regeling moeten worden herzien", meent Janvier. Zo'n herziening is niet aan de orde, volgens een woordvoerder van de minister van Zelfstandigen. Die stelt dat de zelfstandigen niet extra bij hoeven te dragen aan de sociale zekerheid. De correctiecoëfficiënt zou vandaag ongeveer 1 zijn, als niet alleen rekening wordt gehouden met de wettelijke bijdragepercentages, maar ook met de werkelijke bijdrage-inspanning van werknemers en zelfstandigen. "De afschaffing ervan zal de berekening van het proportionele pensioen voor zelfstandigen en werknemers harmoniseren door te streven naar een inkomensvervangingspercentage op het moment van de pensionering. Dat is vastgesteld op 60 procent voor alleenstaanden en 75 procent voor een gezinspensioen." Voor Janvier zijn zelfstandigen en werknemers als appelen en peren. "Je kunt die twee niet vergelijken. In de regeling voor werknemers zijn er meer gelijkgestelde periodes waarin de werknemers niet werken maar wel pensioenrechten opbouwen dan in de regeling voor zelfstandigen. Daar staat tegenover dat de beter verdienende zelfstandigen bij voorkeur hun eigen pensioenpotje verzamelen en allerlei zaken kunnen optimaliseren met een vennootschap." "Een belangrijke factor in het verbeteren van het rendement van aanvullende pensioenen is de kostenreductie. Dat kan onder meer door administratieve en legistieke vereenvoudiging. Daarom zal samen met de stakeholders een omstandig overzicht gemaakt worden van de verdere mogelijkheden tot automatisering en kostenreductie in het administratieve beheer en de afhandeling van aanvullende pensioenen, worden de juridische obstakels in kaart gebracht en wordt een stappenplan opgesteld voor de realisatie van efficiëntere oplossingen. Professor Stevens vindt het een goede zaak dat de kosten worden onderzocht. "Het aanvullend pensioen wordt sterk gesubsidieerd door de overheid. Via fiscale en parafiscale stimulansen worden werkgevers aangemoedigd een deel van het loon uit te betalen als stortingen voor een aanvullend pensioen, in groepsverzekeringen of in bedrijfs- en sectorpensioenfondsen. Dan is het normaal dat de overheid nagaat of die subsidies goed terechtkomen en hun doel op de meest efficiënte manier bereiken." "Ook vanuit Europa komt meer en meer nadruk op kostentransparantie voor de tweede pijler van het pensioen", gaat Stevens verder. "Op dit moment grijpen kmo's vooral naar verzekeringen en zijn pensioenfondsen vooral een zaak van grote bedrijven. Je kunt pensioenfondsen en verzekeraars op dat vlak echt niet met elkaar vergelijken." Ook in de derde pijler van het pensioen - het individuele pensioensparen - zijn er verzekeringsproducten en beleggingsfondsen. "Het is geen gemakkelijke opdracht om alle kosten bloot te leggen. Veel van die kosten zitten in de producten. Het zou goed zijn mochten we een beter zicht krijgen op de volledige kostenstructuur", meent Stevens.