In mei 2014 is in ons land een wet aangenomen die bedrijven verplicht het aanvullend pensioen voor arbeiders en bedienden te harmoniseren. Het gaat in de eerste plaats om de gelijkschakeling van de stortingen die werkgevers doen in groepsverzekeringen of in bedrijfs- en sectorpensioenfondsen. Er mogen verschillen zijn in de manier waarop het geld geïnvesteerd wordt, via verzekeringen of fondsen. Er mag ook een verschil zijn in de uitkomst van de beleggingen, het kapitaal of de rente, maar de inspanningen en de bijdragen van de werkgevers moeten voor arbeiders en bedienden dezelfde zijn. De bedrijven kregen tien jaar de tijd om de ongelijkheden tussen arbeiders en bedienden weg te werken. Daarvan zijn bijna vier jaar verstreken.

Uit een rondvraag van de pensioen- en verzekeringsspecialist Aon bij 210 bedrijven met 300.000 werknemers blijkt dat 21 procent van de betrokken bedrijven de pensioenplannen van arbeiders en bedienden al heeft geharmoniseerd. 24 procent is daarmee bezig. Maar 55 procent heeft nog helemaal niets gedaan. Als die bedrijven niets ondernemen, wordt vanaf 2025 automatisch het beste van de twee pensioenplannen voor alle werknemers van toepassing. De kostprijs daarvan kan heel hoog oplopen.

"Onze ervaring leert dat het anderhalf tot twee jaar duurt om een pensioenplan aan te passen", stelt Stéphanie Larmuseau van Aon. "Voor elke aanpassing is het akkoord van de sociale partners nodig. De sociale verkiezingen in 2020 en 2024 zullen het overleg telkens enkele maanden lamleggen. De sociale partners hebben er bovendien belang bij de gesprekken te vertragen of uit te stellen, want dan wordt automatisch het beste pensioenplan van het bedrijf of de sector voor zowel de arbeiders als de bedienden van toepassing."

De kloof dichten

Bedrijven houden er het beste rekening mee dat de extra kosten kunnen oplopen tot meer dan 1 procent van de loonmassa van de arbeiders. De bijdragen van de werkgever zouden per arbeider gemiddeld stijgen van 540 naar 900 euro per jaar, schat Aon. Dat zou overeenkomen met een kostenplaatje van ongeveer 410 miljoen euro per jaar voor alle werkgevers samen.

"De situatie is bij elk bedrijf anders, maar we hebben alle pensioenplannen gerangschikt van het minst genereuze naar het meest genereuze, en het middelste plan van de arbeiders vergeleken met het middelste van de bedienden", zegt Colette de Dessus Les Moustier van Aon. De consultant veralgemeende de statistieken van zijn klantenbestand naar de 1,4 miljoen arbeiders in ons land, van wie 75 procent een aanvullend pensioen opbouwt via zijn werkgever.

De kloof tussen het laatste loon en het pensioen is groter bij bedienden dan bij arbeiders.

"De helft van de arbeiders krijgt op de pensioenleeftijd een kapitaal dat minstens 20 keer het laatste ontvangen maandloon bedraagt," zegt De Dessus les Moustier. "Bij de bedienden ligt de mediaan voor het aanvullend pensioen op 32 keer het laatste maandloon." Werkgevers zetten doorgaans minder opzij voor het aanvullend pensioen van hun arbeiders dan voor hun bedienden.

De kloof tussen het laatste loon en het pensioen is groter bij bedienden dan bij arbeiders. Het aanvullend pensioen moest die kloof dichten en ervoor zorgen dat mensen dezelfde levensstandaard behouden na hun pensioen. Voor werknemers met een hoger loon mogen werkgevers nog altijd een groter deel van het loon storten in de groepsverzekering. Er mag enkel een onderscheid worden gemaakt op basis van objectieve criteria, zoals een verschillende looncategorie of een verschillende functie met meer of minder verantwoordelijkheden.

Het wettelijk pensioen waar werknemers recht op hebben, wordt berekend aan de hand van een begrensd loon. Voor 2017 bijvoorbeeld wordt een jaarloon van maximaal 55.657,47 euro opgenomen in de berekening van het rustpensioen. Bedienden hadden vaker dan arbeiders een loon dat het plafond oversteeg. Dat verklaart waarom het verschil tussen het laatste loon en het wettelijke pensioen bij bedienden vaker groter was.

Onaangename verrassingen

Bedrijven moeten beginnen met het in kaart brengen van alle pensioenplannen. "Bedrijven zijn zich er niet altijd van bewust dat er een pensioenplan is op het niveau van de sector. Soms weten ze wel dat er een is, maar niet hoe hoog de bijdragen zijn. De stortingen voor zo'n sectoraal pensioenplan gebeuren via een extra lijntje in de afrekening van de RSZ. Die bijdragen zijn vaak heel beperkt, minder dan 1 procent van het loon, en worden daardoor weleens over het hoofd gezien", voegt Larmuseau toe.

Bedrijven moeten beginnen met het in kaart brengen van alle pensioenplannen.

"In het beste geval vallen de arbeiders en de bedienden in een sector onder hetzelfde paritair comité en zijn ze allemaal aangesloten bij hetzelfde sectorpensioenfonds", gaat Larmuseau verder. "In het slechtste geval vallen de bedienden van een bedrijf in de restcategorie, het paritair comité 200, en de arbeiders onder een ander paritair comité. Als de bedienden een groepsverzekering van het bedrijf hebben en de arbeiders aangesloten zijn bij het pensioenfonds van de sector, wordt het ingewikkeld. Het bedrijf zou een nieuwe groepsverzekering moeten afsluiten om het verschil in de bijdragen voor de arbeiders en de bedienden te nivelleren."

Niet meestappen

AON raadt bedrijven aan alle pensioenplannen te herbekijken, en het liefst ook alle andere voordelen. In sommige bedrijven krijgt het budget prioriteit. De stortingen voor de arbeiders kunnen stijgen of die voor de bedienden kunnen zakken, als de sociale partners daarin meegaan. "De werknemers die in dienst zijn, kunnen bovendien tijdelijk of permanent weigeren mee te stappen in het nieuwe pensioenplan, als dat minder voordelig is", weet Larmuseau. "Het komt het erop aan zo veel mogelijk werknemers te overtuigen."

Andere bedrijven willen weten of hun groepsverzekering als onderdeel van het loonpakket aantrekkelijk genoeg is om nieuwe werkkrachten aan te trekken. "Het kan ook een goede gelegenheid zijn om een overstap naar een multiwerkgeverspensioenfonds of een andere soort van groepsverzekering te overwegen", zegt De Dessus les Moustier. De bedrijven moeten van de wetgever een minimumrendement garanderen op de stortingen, terwijl de meeste klassieke groepsverzekeringen minder rendement opleveren dan het wettelijke minimum. Volgens Des Dessus les Moustier is de uitbreiding van het aanvullende pensioen sinds 2011 tot stilstand gekomen, omdat bedrijven schrik hebben dat ze het tekort aan rendement zullen moeten bijleggen.