Is uw aanvullend pensioen volledig gefinancierd? U kunt het zelf nakijken op mypension.be, de databank voor aanvullende pensioenen van de overheid, die sinds eind vorig jaar operationeel is. De verzekeraars en de pensioenfondsen moeten daarin jaarlijks alle informatie pompen over uw pensioenplan. Klik op 'Mijn volledige dossier' en u krijgt een fiche te zien waarop niet enkel staat hoeveel er al gespaard is voor uw aanvullend pensioen, maar ook of die pensioenreserve volledig gefinancierd is of niet.
...

Is uw aanvullend pensioen volledig gefinancierd? U kunt het zelf nakijken op mypension.be, de databank voor aanvullende pensioenen van de overheid, die sinds eind vorig jaar operationeel is. De verzekeraars en de pensioenfondsen moeten daarin jaarlijks alle informatie pompen over uw pensioenplan. Klik op 'Mijn volledige dossier' en u krijgt een fiche te zien waarop niet enkel staat hoeveel er al gespaard is voor uw aanvullend pensioen, maar ook of die pensioenreserve volledig gefinancierd is of niet. Als dat niet het geval is, dan heeft uw werkgever een probleem. De wet op de aanvullende pensioenen verplicht de werkgevers vroeg of laat tekorten in de pensioenplannen aan te zuiveren. "Het is een mission impossible te berekenen hoe groot het totale tekort is voor de financiering van de aanvullende pensioenen", zegt Colette de Dessus les Moustier van de consultant Aon Hewitt. "De bedrijfsrevisoren verplichten de bedrijven tegenwoordig wel de tekorten te berekenen en op zijn minst een provisie aan te leggen als er tekorten zijn. De bedrijven moeten daarover ook rapporteren, tenminste als ze een internationale boekhouding voeren. Maar er is dus niemand die het totale plaatje heeft voor alle ondernemingen in België", voegt Steven Cauwenberghs, juridisch adviseur bij Aon Hewitt, eraan toe. Zo'n 70 procent van de werknemers bouwt via zijn werkgever een aanvullend pensioen op. Van alle betalingen die werkgevers in 2015 daarvoor uitvoerden, ging 82 procent richting verzekeringsmaatschappijen. Nagenoeg alle groepsverzekeringen zijn tak21-levensverzekeringen. "De verzekeraars beleggen dat geld voornamelijk in obligaties. Gemiddeld garanderen die groepsverzekeringen nog 0,25 procent rendement voor de toekomst", voegt De Dessus les Moustier eraan toe (zie grafiek Verzekeraars reageren op de lage rente). En daar ligt het kalf gebonden. De werkgevers moeten een gemiddeld jaarlijks rendement van minstens 1,75 procent garanderen, wanneer ze een vast percentage van uw loon opzijzetten voor uw pensioen, terwijl de verzekeraars almaar minder rendement beloven. "De groepsverzekeringen voor de werkgevers zijn in feite geen verzekeringen meer", vindt De Dessus les Moustier. Voor 1 januari 2016 was die wettelijke rendementsgarantie nog dubbel zo hoog. De verlaging die na een lange onderhandeling tussen de sociale partners uit de bus kwam, biedt nog altijd onvoldoende soelaas. De Dessus les Moustier wijst er ook op dat in de meeste groepsverzekeringen een eventueel overschot aan rendement naar de verzekeringnemer gaat, terwijl het tekort aan rendement voor rekening van de werkgever is. De grote verzekeraars passen daarom schoorvoetend hun contracten aan, opdat de vette jaren de magere jaren in eenzelfde pensioenplan zouden kunnen compenseren. Volgens De Dessus les Moustier zullen almaar meer bedrijven in de toekomst het design van hun pensioenplan aanpassen. Aanvankelijk werd vooral gewerkt met pensioenplannen waarbij een bepaald bedrag beloofd werd als aanvullend pensioen, een zogenaamd te bereiken doel. Wanneer het rendement op zo'n groepsverzekering daalt, dan moet de werkgever een hogere premie storten. Ter illustratie: wanneer het rendement van de groepsverzekering zakt van 5 naar 1 procent, dan verdubbelt de premie voor iemand die over 30 jaar 100.000 euro aanvullend pensioen moet krijgen van 1500 naar 3000 euro. Vermenigvuldig dat met het aantal werknemers in een bedrijf en u weet hoe hoog het kostenplaatje van de dalende rente kan uitvallen. Daarna werd almaar meer overgegaan naar een plan waarbij een vast percentage van het loon in de groepsverzekering werd gestort. Zoiets heet in het jargon 'een plan met vaste bijdragen'. De wetgever voerde voor de pensioenplannen met vaste bijdragen een wettelijke rendementsgarantie in. Bij pensionering of bij uitdiensttreding van werknemers moet de werkgever het verschil tussen het rendement van de groepsverzekering en het wettelijke minimumrendement betalen. "Bij dat type pensioenplannen hebben de verzekeraars enkel de wettelijke verplichting de werkgever te verwittigen als er tekorten ontstaan, maar ze zijn niet verplicht onmiddellijk extra financiering op te eisen", weet Cauwenberghs. Daarnaast is er nog een derde type, cash balance, dat tot nu toe niet zoveel gebruikt werd. Het is een combinatie van de twee voorgaande types. De werkgever stort een vast percentage van uw loon en belooft dat die stortingen aan het einde van de rit een bepaald rendement opgeleverd hebben. Niet meer, maar ook niet minder. Volgens De Dessus les Moustier zal dat type aan populariteit winnen. De Dessus les Moustier maakt een back-of-the-envelope-berekening die tot nadenken stemt. "Voor de 66.000 banen die er tussen 2015 en 2016 bij gekomen zijn, schat ik de jaarlijkse onderfinanciering van de groepsverzekeringen op 1 miljoen euro", zegt ze. "Als de regering zoals beloofd 215.000 extra banen schept over de hele regeerperiode, dan moeten de werkgevers jaarlijks naar schatting 4 miljoen euro bijpassen." Steven Cauwenberghs vraagt zich ook af of de regering zich voldoende bewust is wat een 'initiatiefrecht' voor de werknemer die een aanvullend pensioen wil, zou kunnen betekenen voor de werkgevers. Dat initiatiefrecht is in het zomerakkoord ingeschreven. "Het idee is dat werknemers die nog geen aanvullend pensioen opbouwen, het recht hebben aan hun werkgever te vragen een deel van hun loon in te houden voor de opbouw van een aanvullend pensioen. Als de werkgever vervolgens een rendement moet garanderen op die stortingen, dan betekent dat een extra kostprijs voor die werkgevers voor zolang de gegarandeerde rente van de verzekeraars te laag ligt. Dat initiatiefrecht bestaat overigens al voor werknemers die bij hun vorige werkgever al minstens 42 maanden een pensioenplan hadden, met een maximum van 2350 euro per jaar." Als het natuurlijk om een vrij aanvullend pensioen gaat, zoals de zelfstandigen dat op dit moment kunnen opbouwen, dan zijn er geen garanties voor het rendement. Cauwenberghs: "In het zomerakkoord staat eigenlijk niets nieuws, er wordt gewoon herhaald wat al in het regeerakkoord van 2014 over de aanvullende pensioenen stond. Het zijn ideeën waarmee de voorbije drie jaar blijkbaar weinig gebeurd is. Nog in het zomerakkoord staat bijvoorbeeld dat er een volwaardige tweede pensioenpijler moet komen voor zelfstandigen. Voor de zelfstandigen zonder een vennootschap is een jaar geleden een poging gedaan een fiscaal en sociaal kader voor het aanvullende pensioen uit te werken dat gelijkloopt met dat voor de zelfstandigen met een vennootschap. Sindsdien is voor zover ik weet geen vooruitgang geboekt in dat dossier." Bij pas opgestarte pensioenplannen of bij werknemers die pas recentelijk in een pensioenplan stapten, stapelen zich zo goed als zeker tekorten op. Voor de werknemers die al langer bij een werkgever met een pensioenplan aan de slag zijn, is dat moeilijker in te schatten. Eind 2014 zat er volgens de Nationale Bank van België meer dan 10 miljard euro aan reserves in groepsverzekeringen met een gegarandeerd rendement van minder dan 0,5 procent, maar er zat evengoed meer dan 10 miljard euro in groepsverzekeringen met een gegarandeerd rendement van meer dan 4,5 procent. Zelfs als er met obligaties weer meer rendement valt te halen, betekent dat nog niet per se dat op de nieuwe contracten meer rendement beloofd zal worden. Volgens De Dessus les Moustier zullen verzekeraars dat extra rendement hard nodig hebben om rendementsbeloftes uit het verleden na te komen. Om het totale rendement van de groepsverzekeringen te kennen, moeten we echter niet enkel kijken naar de gewaarborgde rendementen, maar ook naar de winstbonussen die de verzekeraars boven op het gegarandeerde rendement uitkeren. "Die winstbonussen zijn ook gedaald", weet De Dessus les Moustier. "Bovendien zal het voor verzekeraars moeilijker worden de verzekeringnemers te laten deelnemen in de winst. Een eventuele winst op een product mag enkel in dezelfde productgroep verdeeld worden. De Nationale Bank kan ook winstdeelnames verbieden als de verzekeraar onvoldoende kapitaal heeft, enzovoort." Doordat dit jaar strengere kapitaalvereisten voor tak21-levensverzekeringen van kracht werden, hebben verzekeraars ook minder zin nog groepsverzekeringen met een gewaarborgd rendement te verkopen. Hoe meer kapitaal ze opzij moeten zetten, hoe minder winst naar de aandeelhouders kan vloeien. Ze hebben dus ook geen commerciële redenen om het rendement op de groepsverzekeringen op te trekken en de concurrentie met andere verzekeraars aan te gaan. Het fiscale voordeel maakt wel nog iets goed. Werknemers genieten, net zoals bij pensioensparen, een belastingvermindering van 30 procent op de persoonlijke bijdragen voor het aanvullend pensioen. U hoeft die belastingvermindering niet op te eisen via uw aangifte, zoals bij pensioensparen. De verrekening gebeurt automatisch via uw loonbrief. U houdt netto meer over van dat uitgestelde loon dan van de rest van uw loon, maar u kunt niet aan dat geld tot u met pensioen gaat en u betaalt aan het einde van de rit 10 tot 20 procent belasting, afhankelijk van het moment waarop u het geld opneemt. Wanneer er onvoldoende rendement is om de koopkracht van dat uitgestelde loon te bewaren, dan schiet de opbouw van een aanvullend pensioen zijn doel voorbij. "Eigenlijk is het minimumrendement van 1,75 procent al te weinig", zegt De Dessus les Moustier. "Voor 2017 verwacht het Planbureau een inflatie van 1,8 procent." En als de Europese Centrale Bank haar langetermijndoelstelling haalt, dan wordt het leven in de eurozone elk jaar 2 procent duurder en verliest uw opgebouwde pensioenreserve jaar na jaar aan waarde. Volgens De Dessus les Moustier zullen verzekeraars meer tak23-levensverzekeringen promoten, ook als oplossing voor het aanvullend pensioen. Dat zijn levensverzekeringen waarvan het rendement niet op voorhand vastligt, omdat ze geld investeren in meer risicovolle beleggingen zoals aandelen en fondsen. "Zo is er tenminste hoop op meer dan 2 procent rendement." Bedrijven kunnen natuurlijk ook altijd zelf een pensioenfonds oprichten of aansluiting zoeken bij een bestaand pensioenfonds als er onvoldoende kritische massa is. Aon heeft met United Pensions drie jaar geleden een pan-Europees multi-werkgever-pensioenfonds opgericht. Tot nu toe sloten één Nederlands bedrijf en drie Belgische bedrijven zich daarbij aan. Afhankelijk van de gekozen beleggingen varieerde het rendement voor die vier bedrijven vorig jaar tussen 7 en 11 procent. United Pensions heeft nog geen historisch trackrecord. Maar volgens de jaarlijkse financiële enquête van de vereniging PensioPlus haalden de pensioenfondsen sinds 1986 een gemiddeld jaarlijks rendement van 6,9 procent. Het gemiddelde jaarlijkse rendement over de voorbije tien en vijftien jaar ligt wel iets lager, op respectievelijk 4,8 en 4,1 procent, maar ook dat is nog voldoende om de koopkracht van de aangesloten werknemers te garanderen.