De Belgische sportsector vertegenwoordigt drie kwart van alle bijklussers in het verenigingsleven. Denk aan de talrijke amateurtrainers, scheidsrechters, lesgevers, terreinverzorgers en materiaalmeesters in de duizenden sportclubs die ons land rijk is. Daarnaast zijn er de dirigenten, regisseurs, choreografen, begeleiders en animatoren van lokale orkesten, amateurtheaters en andere socioculturele verenigingen. Ook zij klussen niet geheel onbezoldigd bij buiten de werk- of schooluren of tijdens de schoolvakanties, en vallen tussen het statuut van de vrijwilliger en de vaste werknemer in.
...

De Belgische sportsector vertegenwoordigt drie kwart van alle bijklussers in het verenigingsleven. Denk aan de talrijke amateurtrainers, scheidsrechters, lesgevers, terreinverzorgers en materiaalmeesters in de duizenden sportclubs die ons land rijk is. Daarnaast zijn er de dirigenten, regisseurs, choreografen, begeleiders en animatoren van lokale orkesten, amateurtheaters en andere socioculturele verenigingen. Ook zij klussen niet geheel onbezoldigd bij buiten de werk- of schooluren of tijdens de schoolvakanties, en vallen tussen het statuut van de vrijwilliger en de vaste werknemer in. In 2018 maakte de federale regering het mogelijk tot 6.000 euro per jaar onbelast bij te verdienen in de vrije tijd. Die maatregel werd ingevoerd om het verenigingswerk en diensten aan medeburgers te ondersteunen, en om de deeleconomie een boost te geven. Bovendien moest zo'n geregulariseerd kader zwartwerk en 'vergoedingen in drankbonnetjes' vermijden. Het maximumbedrag werd jaarlijks geïndexeerd: in 2020 kon u al tot 6.340 euro (inclusief kosten) per jaar bijverdienen zonder dat die inkomsten werden belast.Maar dat was buiten het Grondwettelijk Hof gerekend. Dat bijzondere rechtscollege vond het niet kunnen dat verenigingswerkers onbelast konden bijverdienen, terwijl professionele aanbieders van vergelijkbare diensten wél belastingen betalen op hun inkomsten. Die discriminatie leidde in 2020 tot de vernietiging van de bijkluswet. De sportsector drong meteen aan op een nieuw statuut op maat. Anders zouden gezinnen vanaf 2021 al snel honderden euro's extra lidgeld moeten betalen, klonk het. En dus kwam de Kamer eind vorig jaar met een nieuwe, voorlopige regeling. Die kwam tegemoet aan de opmerkingen van het Grondwettelijk Hof en had betrekking op verenigingswerkers in de sport- en de socioculturele sector. Mensen die daar bijklussen, kunnen in 2021 nog altijd tot 6.000 euro (na indexering 6.390 euro) bijverdienen, maar niet langer volledig onbelast. Op de inkomsten moeten ze een fiscale bijdrage van 10 procent afstaan. De vereniging wordt een solidariteitsbijdrage van 10 procent opgelegd. "Het belastingtarief bedraagt eigenlijk 20 procent", weet Jef Wellens, fiscaal jurist bij Wolters Kluwer. "Er geldt evenwel een wettelijk kostenforfait van 50 procent, en daarom wordt gesproken van een belastingdruk van 10 procent op de brutovergoeding. Daar komt wel nog gemeentebelasting bovenop. Overstijgt de vergoeding de grens van 6.390 euro per jaar, dan wordt die gekwalificeerd als beroepsinkomsten - tenzij je het bewijs van het tegendeel kunt leveren. Bovendien moet je een extra maandgrens respecteren van 532,50 of 1.065 euro, afhankelijk van de aard en het tijdstip van de activiteit. Per kwartaal geldt een limiet van 150 uur." De Vlaamse Sportfederatie noemde de regeling al snel "een onhaalbare kaart". "De fiscale en sociale heffingen zijn alleen maar betaalbaar wanneer het lidgeld verdubbeld of verdrievoudigd wordt", reageerde voorzitter Koen Umans. Ook de bijkomende voorwaarden stuitten op protest. Verenigingen werden verplicht tot de invoering van een werkrooster, gewaarborgde rustpauzes van 11 uur en een kader voor een beperkte opzeggingstermijn en -vergoeding. De tijdelijke regeling loopt af op 31 december 2021. Vanaf begin volgend jaar gelden de nieuwe en definitieve regels voor het verenigingswerk. De ministerraad keurde die vorige week goed. "De nieuwe regelgeving moet enthousiaste verenigingswerkers in de sport- en socioculturele sector ook in de toekomst de kans bieden iets bij te verdienen, zonder dat verenigingen in de richting van zwartwerk worden geduwd", stelde minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke (Vooruit) in een persbericht.U kunt vanaf 1 januari 2022 jaarlijks tot 450 uur bijverdienen in een of meer sportverenigingen en tot 300 uur in verenigingen in de socioculturele sector. Bijklussen in beide sectoren mag, voor zover u het jaarmaximum van 450 uur niet overschrijdt. U dient 10 procent personenbelasting af te staan op de ontvangen vergoedingen, maar de vereniging betaalt daarop geen sociale bijdragen meer. Of het fiscale jaarplafond van 6.000 euro ook verdwijnt, is nog niet duidelijk.De verenigingen krijgen ook een uitzondering op de gebruikelijke administratieve verplichtingen inzake sociale documenten, zoals het bijhouden van aanwezigheidsregisters. "Eenvoud is cruciaal", argumenteert Frank Vandenbroucke. "We willen niet te veel paperasserie." De verenigingen en de verenigingswerkers zullen het aantal gewerkte uren en het resterende saldo kunnen consulteren en controleren via een eenvoudige toepassing. De nieuwe regeling rond verenigingswerk wil niet in het vaarwater van de reguliere arbeid komen. Wie eerder gedurende een periode van minstens een jaar aan de vereniging was gebonden door een arbeidsovereenkomst, een statutaire aanstelling of een aannemingsovereenkomst, wordt uitgesloten. En wie het nieuwe statuut wil combineren met studentenarbeid, mag slechts maximaal 190 uur bijklussen in een vereniging. Zowel de welzijnswetgeving als de arbeidsongevallenwet is van toepassing op het verenigingswerk, maar bijklussers in de sport- of socioculturele sector behoren in principe nooit tot het stelsel 'verzwaarde risico's'. Dat betekent dat de vereniging geen extra bijdragen voor de verzekering tegen arbeidsongevallen moet betalen. Ook de bestaande cao's blijven van toepassing, behoudens twee uitzonderingen: voor de loontoeslagen voor avond-, nacht- en zondagsarbeid, en voor het opleidingsrecht. Van een gewaarborgd loon bij afwezigheid wegens ziekte is evenmin sprake in de nieuwe bijklusregeling, tenzij de sector daarover iets anders overeenkomt via een sectorale cao. Bij een ontslag van de verenigingswerker voorziet de door de ministerraad goedgekeurde tekst in een opzeggingstermijn van veertien dagen bij een contractduur van minder dan zes maanden, of één maand bij een overeenkomst vanaf zes maanden. Dat is een verdubbeling tegenover vandaag. Maar ook hier krijgen de sociale partners de mogelijkheid daarvan af te wijken middels een cao.