In de eerste plaats worden de opzeggingstermijnen voor arbeiders en bedienden gelijkgetrokken. Voorts wordt geen rekening meer gehouden met de leeftijd van de werknemer, noch met zijn loon. Alleen de anciënniteit telt nog. Tijdens de eerste twee jaar anciënniteit stijgt de opzeggingstermijn elk kwartaal, nadien elk jaar. Wie tijdens het eerste kwartaal van zijn tewerkstelling een opzegging krijgt, heeft recht op een opzeggingstermijn van twee weken. Vanaf het tweede kwartaal wordt dat 4 weken. Vanaf het derde kwartaal 6 weken. Vanaf het vierde kwartaal 7 weken. Vanaf het vijfde kwartaal 8 weken. Vanaf het zesde kwartaal 9 weken. Vanaf het zevende kwartaal 10 weken. Vanaf het achtste kwartaal 11 weken. Vanaf 2 jaar loopt het op tot 12 weken. Vanaf 3 jaar tot 13 weken. Vanaf 4 jaar tot 15 weken. En vanaf 5 jaar tot 18 weken. Vervolgens komt er 3 weken per jaar dienst bij. Vanaf 20 jaar dienst stijgt de opzegtermijn nog maar met één week per jaar anciënniteit. Een aantal sectoren zullen slechts over vier jaar tot deze regeling komen. Het gaat om kleding en confectie (paritair comité 109), veldsteenbakkerijen (pc 114), bouw (pc 124), stoffering en houtbewerking (pc 126), leerlooierij en handel in ruwe huiden en vellen (pc 128.01), schoeiselindustrie, laarzenmakers en maatwerkers (pc 128.02), lompen (pc 142.02), wapensmederij met de hand (pc 147); havenarbeiders (pc 301.01), grote kleinhandelszaken (pc 311), diamantnijverheid en -handel (pc 324) en inrichtingen voor tandprothesen (pc 330.03). Voor deze sectoren geldt de geleidelijke overgang trouwens alleen voor de werknemers met een vaste werkplaats. Voor zij die geregeld van werkvloer wisselen, blijft de oude regeling ook na 2017 van kracht. Dat geldt met name voor zowat 90 procent van de bouwvakarbeiders. Voor mensen die reeds in dienst zijn op 1 januari 2014 wordt een combinatie van het oude en het nieuwe systeem gemaakt. (Belga)

In de eerste plaats worden de opzeggingstermijnen voor arbeiders en bedienden gelijkgetrokken. Voorts wordt geen rekening meer gehouden met de leeftijd van de werknemer, noch met zijn loon. Alleen de anciënniteit telt nog. Tijdens de eerste twee jaar anciënniteit stijgt de opzeggingstermijn elk kwartaal, nadien elk jaar. Wie tijdens het eerste kwartaal van zijn tewerkstelling een opzegging krijgt, heeft recht op een opzeggingstermijn van twee weken. Vanaf het tweede kwartaal wordt dat 4 weken. Vanaf het derde kwartaal 6 weken. Vanaf het vierde kwartaal 7 weken. Vanaf het vijfde kwartaal 8 weken. Vanaf het zesde kwartaal 9 weken. Vanaf het zevende kwartaal 10 weken. Vanaf het achtste kwartaal 11 weken. Vanaf 2 jaar loopt het op tot 12 weken. Vanaf 3 jaar tot 13 weken. Vanaf 4 jaar tot 15 weken. En vanaf 5 jaar tot 18 weken. Vervolgens komt er 3 weken per jaar dienst bij. Vanaf 20 jaar dienst stijgt de opzegtermijn nog maar met één week per jaar anciënniteit. Een aantal sectoren zullen slechts over vier jaar tot deze regeling komen. Het gaat om kleding en confectie (paritair comité 109), veldsteenbakkerijen (pc 114), bouw (pc 124), stoffering en houtbewerking (pc 126), leerlooierij en handel in ruwe huiden en vellen (pc 128.01), schoeiselindustrie, laarzenmakers en maatwerkers (pc 128.02), lompen (pc 142.02), wapensmederij met de hand (pc 147); havenarbeiders (pc 301.01), grote kleinhandelszaken (pc 311), diamantnijverheid en -handel (pc 324) en inrichtingen voor tandprothesen (pc 330.03). Voor deze sectoren geldt de geleidelijke overgang trouwens alleen voor de werknemers met een vaste werkplaats. Voor zij die geregeld van werkvloer wisselen, blijft de oude regeling ook na 2017 van kracht. Dat geldt met name voor zowat 90 procent van de bouwvakarbeiders. Voor mensen die reeds in dienst zijn op 1 januari 2014 wordt een combinatie van het oude en het nieuwe systeem gemaakt. (Belga)