De werkloosheidsuitkering wordt berekend op het loon dat je in de laatste zes maanden van je tewerkstelling gedurende ten minste vier weken hebt ontvangen. Maar er is wel een grens. Vanaf Nieuwjaar ontvang je de eerste drie maanden 65 procent van het begrensd brutobedrag, tegenover 60 procent tot nog toe. Het grensbedrag bedraagt na de nieuwste indexering 2418,23 euro. De volgende drie maanden krijg je 60 procent van dat grensbedrag. In de tweede helft van je eerste jaar werkloosheid blijf je 60 procent ontvangen van je begrensd brutoloon. Het grensbedrag zakt na de jongste indexering daarbij wel tot 2253,83 euro. Na het eerste jaar daalt de vergoeding voor de meesten voort. Een gezinshoofd ontvangt in een volgende periode weliswaar nog 60 procent, maar het grensbedrag zakt tot 2106,15 euro. Een alleenstaande moet het stellen met 55 procent, een inwonende met 40 procent. Maar ook daarna zakt men verder. Na vier jaar werkloosheid valt iedereen terug op de minimale werkloosheidsuitkering. voor gezinshoofden zal de uitkering in fases met 12 procent dalen. Voor alleenstaanden is dat met 17,5 procent en voor samenwonenden met maar liefst 40 procent. De snelle daling is bedoeld om mensen aan te moedigen toch snel een nieuwe job te zoeken. Het degressiviteitsstelsel is heel complex. In de werkloosheidsreglementering bestaan er zomaar eventjes 60 barema's, voor elk van de drie statuten volgens gezinssamenstelling, de diverse referteplafonds, de leeftijdstoeslagen. Werklozen vanaf 55 jaar, met een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 procent, de tijdelijke werklozen en werklozen met een inkomensgarantie vallen niet onder deze regeling. (MVL)