De centrale banken hebben zich de voorbije weken en maanden weer helemaal op de voorgrond gehesen. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft de strafrente voor de cashoverschotten van de banken verhoogd van -0,4 naar -0,5 procent. Zowat iedereen gaat ervan uit dat de depositorente de komende maanden naar -0,6 procent zal zakken. De kwantitatieve versoepeling (QE) leeft weer. Het obligatieaankoopprogramma, dat nog maar begin dit jaar was stopgezet, wordt op 1 november heropgestart a rato van 20 miljard euro aankopen per maand. Om het leed van de banken te verzachten, versoepelt de ECB de modaliteiten voor de langetermijnliquiditeitsoperaties (TLTRO's) en zijn er ook vrijstellingen voor forse cashoverschotten, die niet aan de strafrente worden onderworpen.

ECB-voorzitter Mario Draghi gebruikte de uitdrukking 'as long as it takes'. Er staat dus geen einddatum op de obligatieaankopen. De ECB heeft de inflatieverwachtingen voor de komende jaren verlaagd zodat de inflatiedoelstelling van 2 procent buiten bereik blijft. De Federal Reserve ging vorige week over tot de tweede renteverlaging van het jaar. Net als eind juli deed de Amerikaanse centrale bank er 25 basispunten (0,25%) van af.

Twee keer was er interne weerstand tegen de versoepeling. Centrale bankiers vertelden jarenlang dat de ultralage rente en de kwantitatieve versoepeling tijdelijke fenomenen waren om de bankencrisis en de naweeën ervan te bezweren. Vandaag stellen we vast dat het helemaal niet om een tijdelijke toestand gaat, maar dat die nog een hele tijd zal voortduren en zijn piek wellicht nog niet heeft bereikt.

Positief voor de beurzen

Centrale bankiers moeten geen verantwoording afleggen aan kiezers en lijken tegenover bange politici die worden geconfronteerd met boze kiezers almachtig te zijn en hun actieterrein almaar verder uit te breiden. Maar het feit dat de ECB-voorzitter Draghi opnieuw de bazooka moet bovenhalen zonder een renteverhoging te hebben doorgevoerd en Fed-voorzitter Jerome Powell sinds eind vorig jaar een bocht van 180 graden heeft gemaakt, wijst eerder op onmacht dan almacht. Haast alle economen twijfelen eraan of de besluiten meer dan een symbolische impact zullen hebben op de groei en de inflatie. Ze zoeken hun heil eerder in een soepeler budgettair beleid, met Duitsland op kop.

Het is wel goed nieuws voor de beurzen. Zonder een ommekeer in het monetaire beleid aan beide zijden van de grote plas zouden we niet zo'n goed beursjaar hebben gekend. Het zal de komende maanden en jaren ook ondersteunend werken. Maar op lange termijn stijgen de risico's voor het financiële systeem. Vooral door het optreden van de westerse centrale banken is de risicoperceptie van de financiële markten duidelijk te laag geworden. Een Italiaanse 10-jarige rente op overheidsobligaties van 0,9 procent bijvoorbeeld weerspiegelt niet de werkelijke, belabberde toestand van de economie en de overheidsfinanciën van het Zuid-Europese land.