Gaan millennials anders met geld om dan babyboomers? We laten de jongelui graag zelf aan het woord.

De grootste luxe in mijn leven is: nooit te hoeven tellen. De laatste keer dat ik moest opletten voor het einde van de maand, ligt meer dan tien jaar achter mij. Voor mij ben je dan rijk. Een concert meepikken? Uiteten? Nooit weigert de bankkaart. Altijd biep-biep-biep, nooit biéééép. Stijgende prijzen? Ik merk dat, maar ik voel het niet. Als mijn chauffage in maart op 17 graden stond, was dat mijn oorlogsinspanning. Haal u niks in het hoofd: een grootverdiener ben ik niet. De barema's van de sociaalculturele sector en de volatiele zakcent van mijn bijberoep tillen mij wel boven het mediaaninkomen, maar verder heb ik vooral ontiegelijk veel geluk gehad. Tel mijn zegeningen:

Help, ik heb te veel.

Ik groeide op in een stabiel gezin zonder grote rijkdom, dat wel altijd genoeg had. Ik ben gezegend met een goede gezondheid. Sinds mijn 22ste ben ik nog geen dag werkloos geweest. Grote vaste kosten in de vorm van een auto of kinderen heb ik niet. Uit een aversie voor gedoe cultiveer ik een karig behoeftepatroon. Voor mijn binnenhuisinrichting houd ik er colruytsiaanse opvattingen over gezelligheid op na. Verre vakanties vind ik een overbodige omweg naar een comfortabele plee en stabiele wifi. Mijn duurste hobby is lopen. Drinken doe ik - Simon Carmiggelt parafraserend - in de gewone, wat morsige kroeg, waar doelgericht maar niet onstuimig wordt ingenomen en een consumptie rond 2 euro kost.

Iets aan zee

Maar bovenal: ik woon goedkoop. Dertien jaar geleden kocht ik op het puin van de vastgoedmarkt na de bankencrisis een appartement in Kessel-Lo (ja, met steun van mama en papa). Ik word een beetje onpasselijk als ik hoor hoeveel meerwaarde ik nu zou kunnen opstrijken voor iets waar ik nul verdienste aan heb: 100.000 euro. Bovendien daalde de rente in die dertien jaar alleen maar, waardoor mijn maandelijkse afbetaling afkalfde tot een bedrag waar je geen studentenkamer meer voor huurt. Die toevalstreffer maakt dat ik elke maand kan sparen.

Ik zie mezelf graag als doorsnee. Zoals stabiele middenklasse zou moeten zijn. Maar ik voel me steeds ongemakkelijker. In mijn buurt ligt één gevel verder een andere realiteit. In de winkel sta ik achter mensen die aan de kassa twee producten naast de band leggen, om vervolgens in afgemeten contanten te betalen. Terwijl ik vrienden met een vergelijkbaar inkomen zie krabbelen om een woning te kopen of te huren, denk ik aan 'iets aan zee'. Er zijn zelfs politici die er een obsceen strijdpunt van maken dat fiscaal te vrijwaren.

Blijven achteromkijken

De luxe te kunnen sparen, brengt in inflatoire tijden de druk om te investeren mee. Een aandeel in de energiecoöperatie of de grondcoöperatie voor een lokale boer, zelfs een hoogrisicolening voor werkkapitaal aan boerencoöperaties in Congo: ik probeer mijn spaarcenten goed in te zetten. Ook de oversteek naar de beurs waagde ik. De jongste weken valt het tegen, maar veel talent vergt het niet om daar met een dozijn trackers en holdings in je portefeuille van geld meer geld te maken.

Hoor mij bezig. "Help, ik heb te veel!" Zit ik al voorbij het omslagpunt waar rijkdom accumuleert? Alleszins nog niet zover om een horloge uit de Style-bijlage te overwegen. En zeker niet ver genoeg om niet meer te zien dat er mensen achter mij ploeteren om het hoofd boven water te houden. Blijven achteromkijken? Trekken en steunen waar mogelijk? Ik probeer. Maar is dat genoeg?

De grootste luxe in mijn leven is: nooit te hoeven tellen. De laatste keer dat ik moest opletten voor het einde van de maand, ligt meer dan tien jaar achter mij. Voor mij ben je dan rijk. Een concert meepikken? Uiteten? Nooit weigert de bankkaart. Altijd biep-biep-biep, nooit biéééép. Stijgende prijzen? Ik merk dat, maar ik voel het niet. Als mijn chauffage in maart op 17 graden stond, was dat mijn oorlogsinspanning. Haal u niks in het hoofd: een grootverdiener ben ik niet. De barema's van de sociaalculturele sector en de volatiele zakcent van mijn bijberoep tillen mij wel boven het mediaaninkomen, maar verder heb ik vooral ontiegelijk veel geluk gehad. Tel mijn zegeningen: Ik groeide op in een stabiel gezin zonder grote rijkdom, dat wel altijd genoeg had. Ik ben gezegend met een goede gezondheid. Sinds mijn 22ste ben ik nog geen dag werkloos geweest. Grote vaste kosten in de vorm van een auto of kinderen heb ik niet. Uit een aversie voor gedoe cultiveer ik een karig behoeftepatroon. Voor mijn binnenhuisinrichting houd ik er colruytsiaanse opvattingen over gezelligheid op na. Verre vakanties vind ik een overbodige omweg naar een comfortabele plee en stabiele wifi. Mijn duurste hobby is lopen. Drinken doe ik - Simon Carmiggelt parafraserend - in de gewone, wat morsige kroeg, waar doelgericht maar niet onstuimig wordt ingenomen en een consumptie rond 2 euro kost. Maar bovenal: ik woon goedkoop. Dertien jaar geleden kocht ik op het puin van de vastgoedmarkt na de bankencrisis een appartement in Kessel-Lo (ja, met steun van mama en papa). Ik word een beetje onpasselijk als ik hoor hoeveel meerwaarde ik nu zou kunnen opstrijken voor iets waar ik nul verdienste aan heb: 100.000 euro. Bovendien daalde de rente in die dertien jaar alleen maar, waardoor mijn maandelijkse afbetaling afkalfde tot een bedrag waar je geen studentenkamer meer voor huurt. Die toevalstreffer maakt dat ik elke maand kan sparen. Ik zie mezelf graag als doorsnee. Zoals stabiele middenklasse zou moeten zijn. Maar ik voel me steeds ongemakkelijker. In mijn buurt ligt één gevel verder een andere realiteit. In de winkel sta ik achter mensen die aan de kassa twee producten naast de band leggen, om vervolgens in afgemeten contanten te betalen. Terwijl ik vrienden met een vergelijkbaar inkomen zie krabbelen om een woning te kopen of te huren, denk ik aan 'iets aan zee'. Er zijn zelfs politici die er een obsceen strijdpunt van maken dat fiscaal te vrijwaren. De luxe te kunnen sparen, brengt in inflatoire tijden de druk om te investeren mee. Een aandeel in de energiecoöperatie of de grondcoöperatie voor een lokale boer, zelfs een hoogrisicolening voor werkkapitaal aan boerencoöperaties in Congo: ik probeer mijn spaarcenten goed in te zetten. Ook de oversteek naar de beurs waagde ik. De jongste weken valt het tegen, maar veel talent vergt het niet om daar met een dozijn trackers en holdings in je portefeuille van geld meer geld te maken. Hoor mij bezig. "Help, ik heb te veel!" Zit ik al voorbij het omslagpunt waar rijkdom accumuleert? Alleszins nog niet zover om een horloge uit de Style-bijlage te overwegen. En zeker niet ver genoeg om niet meer te zien dat er mensen achter mij ploeteren om het hoofd boven water te houden. Blijven achteromkijken? Trekken en steunen waar mogelijk? Ik probeer. Maar is dat genoeg?