Het mobiliteitsbudget is een virtueel bedrag dat werknemers naar eigen goeddunken kunnen spenderen aan duurzamere vervoersoplossingen dan de klassieke bedrijfsauto. Ze kunnen het budget verdelen over drie afzonderlijke pijlers, die elk een eigen sociale en fiscale behandeling kennen:
...

Het mobiliteitsbudget is een virtueel bedrag dat werknemers naar eigen goeddunken kunnen spenderen aan duurzamere vervoersoplossingen dan de klassieke bedrijfsauto. Ze kunnen het budget verdelen over drie afzonderlijke pijlers, die elk een eigen sociale en fiscale behandeling kennen: De keuzemogelijkheden zijn afhankelijk van het aanbod van de werkgever. Die kan het mobiliteitsbudget invoeren om geëngageerde en tevreden medewerkers aan te trekken of te behouden, en om zijn duurzaam imago in de verf te zetten. Het succes van het mobiliteitsbudget is tot op heden evenwel erg beperkt. De hr-dienstverlener SD Worx schat dat vorig jaar amper 0,05 procent van de Belgische werknemers hun (recht op een) bedrijfswagen inruilden voor een budget. In februari 2021 schreven we al over de nog weg te werken pijnpunten, en over een wetsvoorstel van CD&V-verkeersspecialist Jef Van den Bergh. Dat wetsvoorstel werd al op 15 juli 2020 ingediend, maar was sindsdien 'hangende' in de Commissie voor Financiën en Begroting wegens andere prioriteiten. Op 14 september 2021 diende de regering een nieuw wetsontwerp rond de fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit in. Dat leek deels gebaseerd op het eerdere wetsvoorstel van Van den Bergh, maar de bepalingen over het mobiliteitsbudget werden voorlopig geschrapt. Er was nood aan een bijkomend advies van de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad (NAR) en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB). Dat gemeenschappelijk advies werd op 28 september 2021 gepubliceerd. Een daarop gebaseerd finaal wetsontwerp werd op 26 oktober 2021 goedgekeurd in de commissie. De ontwerptekst werkt onder meer een aantal pijnpunten in het mobiliteitsbudget weg. De nieuwe regeling gaat in op 1 januari 2022. Er komen geen overgangsbepalingen voor al lopende mobiliteitsbudgetten, op één uitzondering wat betreft de begrenzing na (zie verder).De wachttermijn Veerle Michiels, juridisch adviseur en mobiliteitsexpert bij de hr-dienstenverlener SD Worx, analyseerde het nieuwe wetsontwerp voor Trends. "Goed nieuws is alvast dat de wachttermijnen voor werknemers verdwijnen", zegt ze. "Die termijnen waren ingevoerd om misbruiken te voorkomen, maar in de praktijk blijken ze een belangrijke hindernis die het succes van het mobiliteitsbudget bemoeilijkt." Dat zit zo: vandaag mag een werkgever in principe pas een mobiliteitsbudget invoeren wanneer hij gedurende een ononderbroken periode van minstens drie jaar (onmiddellijk voorafgaand aan de introductie van de maatregel) bedrijfswagens ter beschikking stelde aan een of meerdere werknemers. Voor starters geldt weliswaar een uitzondering. Ook de werknemer moet rekening houden met een wachtperiode. Hij komt enkel in aanmerking voor een mobiliteitsbudget indien hij in diezelfde periode van drie jaar minstens twaalf maanden in de onderneming over een bedrijfswagen beschikte (of ervoor in aanmerking kwam), én minstens drie maanden ononderbroken - meteen voorafgaand aan de aanvraag - over het voertuig beschikte (of ervoor in aanmerking kwam). "De voorwaarde voor werkgevers blijft behouden, maar de wachtperiode voor de werknemer verdwijnt op 1 januari 2022", zegt Veerle Michiels. "Daardoor kan een medewerker die bijvoorbeeld na een promotie in aanmerking komt voor een bedrijfswagen vanaf dan onmiddellijk instappen in het mobiliteitsbudget. Dat is een belangrijke stap." De tweede pijler Vandaag is een werkgever volgens de letter van de wet niet verplicht elk van de drie pijlers van het mobiliteitsbudget aan te bieden aan zijn werknemers. De ontwerptekst verplicht hem echter vanaf volgend jaar sowieso een aanbod in de tweede pijler (alternatieve vervoersvormen en kosten voor de huisvesting) aan te reiken. De werknemer blijft dan nog altijd vrij om daarin al dan niet een keuze te maken. In diezelfde tweede pijler voorziet het wetsontwerp ook in een aantal nieuwe of uitgebreide bestedingsmogelijkheden: De berekening De omvang van het mobiliteitsbudget wordt bepaald door de reële jaarlijkse werkgeverskosten van de bedrijfswagen die de werknemer inruilt (of waarvoor hij in aanmerking komt). Deze total cost of ownership of TCO bevat naast de financieringskosten ook onder andere de kosten voor brandstof en verzekeringen, de CO2-solidariteitsbijdrage en de niet-aftrekbare btw. "Vanaf 1 januari 2022 mag de werkgever de kosten verbonden aan het beroepsmatig gebruik van de bedrijfswagen buiten beschouwing laten voor de samenstelling van het mobiliteitsbudget", weet Veerle Michiels. "Hij moet dan wel in een bijkomende vergoeding voorzien." "Om misbruiken te voorkomen, krijgt het mobiliteitsbudget ook een onder- en bovengrens: respectievelijk 3.000 euro en 20 procent van het totale brutoloon met een maximum van 16.000 per jaar. Voor al lopende mobiliteitsbudgetten moeten werkgevers zich vóór 1 januari 2023 in regel stellen met deze nieuwe begrenzing." Dat is die ene uitzondering waarover we het hierboven hadden. In de praktijk blijkt de berekening van de TCO een aanzienlijk struikelblok. Daarom kan bij koninklijk besluit in de bijkomende mogelijkheid voorzien worden om in de toekomst het mobiliteitsbudget vast te stellen op basis van forfaitaire waarden. Ook voor de bepaling van de kosten voor de milieuvriendelijke wagen in de eerste pijler zou een forfaitaire berekening zo mogelijk kunnen worden. Voor iedereen? Er waren initieel plannen om de toekenning van het mobiliteitsbudget in de toekomst niet meer te linken aan een functiecategorie. Daardoor zou de werkgever meer vrijheid krijgen om te bepalen welke werknemers hiervoor in aanmerking komen. Helaas werd die verspoeling op de valreep geschrapt. "Merk ook op dat er van het veralgemeende mobiliteitsbudget voorlopig nog geen sprake is", besluit Veerle Michiels. "Die veralgemening staat nochtans in het regeerakkoord, en zou het mobiliteitsbudget toegankelijk moeten maken voor álle werknemers. Dus ook voor wie geen (recht op een) bedrijfswagen heeft."