Het onderzoek, dat werd toegespitst op de elementen die doorslaggevend zijn voor de energierekening van de gezinnen, komt tot de vaststelling dat die kosten voor verwarming en elektriciteit gezinnen zeer weinig verband houdt met het inkomen. Gezinnen met een bescheiden inkomen hebben vaak een energiebudget per volwassen equivalent dat vergelijkbaar is met dat van de meer begoede gezinnen, en dit ondanks het feit dat ze zij kleiner zijn behuisd. De kwaliteit van de woning geeft de doorslag: minder gegoede gezinnen wonen in kleinere, maar minder energie-efficiënte huizen. De studie stelt ook een nieuwe manier voor om de energieproblemen van de gezinnen te meten. Daarbij wordt rekening gehouden met twee belangrijke elementen die tot nu toe buiten beschouwing zijn gelaten. Enerzijds zijn er gezinnen die hun woning niet behoorlijk kunnen verwarmen: ofwel om energie te besparen ofwel omdat zij niet anders kunnen. Zo geven zij minder geld uit voor energie maar voelen zij wel de gevolgen van de hogere energieprijzen. Anderzijds zijn er gezinnen die eigenaar zijn van hun woning en, met een gelijk inkomen, toch meer mogelijkheden hebben om hun energierekeningen te betalen. Zij kunnen dus gemakkelijk een groot deel van hun inkomen besteden om die rekeningen te betalen, zonder in schulden te geraken en zonder kou te lijden. De bevolkingsgroepen die het meest getroffen worden door "energieproblemen" zijn de eenoudergezinnen (32,5% heeft energiemoeilijkheden), de alleenstaanden (28,7%), de senioren (28,2%) en de huurders (27,1%). Tenslotte toont de studie aan dat een stijging (of een daling) van energieprijzen een grote impact heeft op de energiemoeilijkheden van de gezinnen. (Belga)

Het onderzoek, dat werd toegespitst op de elementen die doorslaggevend zijn voor de energierekening van de gezinnen, komt tot de vaststelling dat die kosten voor verwarming en elektriciteit gezinnen zeer weinig verband houdt met het inkomen. Gezinnen met een bescheiden inkomen hebben vaak een energiebudget per volwassen equivalent dat vergelijkbaar is met dat van de meer begoede gezinnen, en dit ondanks het feit dat ze zij kleiner zijn behuisd. De kwaliteit van de woning geeft de doorslag: minder gegoede gezinnen wonen in kleinere, maar minder energie-efficiënte huizen. De studie stelt ook een nieuwe manier voor om de energieproblemen van de gezinnen te meten. Daarbij wordt rekening gehouden met twee belangrijke elementen die tot nu toe buiten beschouwing zijn gelaten. Enerzijds zijn er gezinnen die hun woning niet behoorlijk kunnen verwarmen: ofwel om energie te besparen ofwel omdat zij niet anders kunnen. Zo geven zij minder geld uit voor energie maar voelen zij wel de gevolgen van de hogere energieprijzen. Anderzijds zijn er gezinnen die eigenaar zijn van hun woning en, met een gelijk inkomen, toch meer mogelijkheden hebben om hun energierekeningen te betalen. Zij kunnen dus gemakkelijk een groot deel van hun inkomen besteden om die rekeningen te betalen, zonder in schulden te geraken en zonder kou te lijden. De bevolkingsgroepen die het meest getroffen worden door "energieproblemen" zijn de eenoudergezinnen (32,5% heeft energiemoeilijkheden), de alleenstaanden (28,7%), de senioren (28,2%) en de huurders (27,1%). Tenslotte toont de studie aan dat een stijging (of een daling) van energieprijzen een grote impact heeft op de energiemoeilijkheden van de gezinnen. (Belga)