De modeontwerpster Soraya Wancour volgde de richting Création de Mode et Stylisme aan de Brusselse school La Cambre en werkte als stiliste voor de confectie van kinderkledij en als textielontwerper voor ontwerpers, particulieren en bedrijven. Ze begon in 2018 haar eigen circulaire mode te ontwerpen met het ethische modelabel Studio AMA. In januari 2020 richtte ze een vennootschap op, met zetel in Gent.
...

De modeontwerpster Soraya Wancour volgde de richting Création de Mode et Stylisme aan de Brusselse school La Cambre en werkte als stiliste voor de confectie van kinderkledij en als textielontwerper voor ontwerpers, particulieren en bedrijven. Ze begon in 2018 haar eigen circulaire mode te ontwerpen met het ethische modelabel Studio AMA. In januari 2020 richtte ze een vennootschap op, met zetel in Gent.De appel viel niet ver van de boom, want haar grootvader voorzag vroeger zijn dorp van maatpakken en rokken als kleermaker, net voor de shift naar massaconfectie. Een grootmoeder was naaister, een tante leerde Soraya naaien toen ze acht was. "Ik dacht toen dat iedereen dat deed", lacht ze. Studio AMA kiest voor een radicale alternatieve aanpak. In alle stappen van het productieproces probeert Soraya Wancour zo duurzaam en ethisch mogelijk te werken. De kledij maakt ze van resten aangeleverd door de plaatselijke textielindustrie. De productie gebeurt bij Zonnehoeve, een sociaal maatwerkbedrijf in de buurt. Na een eerste wintercollectie met vooral sweaters, gemaakt van resten van matrascovers, lanceert ze in coronatijden een nieuwe collectie, via voorverkoop. "Elke week droppen we een of twee nieuwe ontwerpen in onze webshop. Klanten kunnen die al kopen, maar het stuk moet nog worden geproduceerd", vertelt ze. Haar lokale leveranciers zijn Clarysse, Libeco, Annabel Textiles en Ecoso Kringwinkel. Die laatste sorteert bijvoorbeeld afgedankte hemden voor Studio AMA. Soraya Wancour gaat met die kledij aan de slag en transformeert ze tot jurken en rokken. "Ik heb tot nu getoond wat er mogelijk is, nu moet ik op grotere schaal beginnen te creëren. Uitdagingen zijn er bij de vleet. Ik vertel een nieuw verhaal aan de eindklant, zet atypische samenwerkingen op met leveranciers van stoffen en met maatwerkbedrijven. Ik besteed veel geld en tijd aan onderzoek en ontwikkeling. Ik houd ervan nieuwe paden te bewandelen, met de onvermijdelijke blutsen en builen." Soraya Wancour beseft dat haar bedrijfje heel kleinschalig is, maar ze wil groeien en meer produceren. "Ik kan de huidige prijzen behouden als ik naar grotere aantallen ga, hoop ik. Eigenlijk is mijn collectie spotgoedkoop, als je weet dat alles lokaal wordt ontworpen en geproduceerd." Vanaf 2022 hoopt ze een rendabel bedrijf te hebben, zonder subsidiesteun. Voor de oprichting van haar sociale vennootschap kreeg ze een subsidie van het Vlaamse departement Werk en Sociale Economie. De provincie Oost-Vlaanderen ondersteunt haar ook. "Maar als je een alternatief, duurzaam businessmodel wilt lanceren, moet je bewijzen dat het kan blijven duren en dat je bedrijf rendabel wordt." Wat Soraya Wancour doet met kledij, doet Caro Peirs met schoenen. Ze gebruikt afgedankte jeans om duurzame schoenen te produceren. De sociaal werkster volgde een vierjarige opleiding tot schoenenontwerper en -maker aan de Academie van Sint-Niklaas. "We leerden er van een blanco blad een collectie te ontwerpen en een schoen te maken met de hand. Maar ik had nog geen flauw benul van duurzame materialen", vertelt Peirs. Daarna volgde ze in de schoenenstad Waalwijk een internationale masteropleiding van negen maanden over innovatie in de schoenenwereld. "We gingen ook vijf weken naar China en bezochten er dagelijks drie fabrieken. Ik wist toen al dat ik zo lokaal mogelijk wilde produceren, bij voorkeur via sociale tewerkstelling en zeker zonder de medewerkers uit te buiten. Tijdens die studie besefte ik ook dat ik schoenen wilde maken die nadien niet automatisch op de afvalberg belanden en verbrand worden. Idealiter zijn de materialen afbreekbaar of kun je ze een nieuw leven geven. In het beste geval kun je ze verwerken tot een nog duurzamer materiaal, de zogenoemde upcycling. Maar ook downcyclen, zoals textiel fijnmalen tot isolatiemateriaal, is nog altijd veel beter dan het te verbranden." Caro Peirs experimenteerde eerst met plantaardige materialen zoals de vezels van prei- en aspergeoverschotten. "We denken dat leder een natuurlijk product is, maar het wordt met chroom gelooid en is dus schadelijk voor het milieu. Het is ook niet bio-afbreekbaar. Vooralsnog is het bijzonder moeilijk om een volwaardig, natuurlijk alternatief voor leder te vinden. Er bestaat al een leder gemaakt van de ananasbladeren, Piñatex genaamd. In Nederland creëerden twee jonge mannen Fruit Leather, leder gemaakt van fruitoverschotten. Dat is perfect bruikbaar voor handtassen, maar niet flexibel genoeg voor schoenen." Caro Peirs kwam tot het besef dat duurzaamheid ook betekent: kijken naar wat er om je heen in overvloed is en van daaruit vertrekken. "En wat zag ik overal? Wat wij 'postconsumenttextiel' noemen. De kringwinkels krijgen hopen kleren binnen. Slechts 20 procent kunnen ze in de winkel leggen, omdat er gewoon veel te veel kleren zijn. Ik wilde een stukje van die 80 procent redden en koos voor jeans, omdat het sterk en tijdloos is. De productie van jeans is totaal niet duurzaam, maar ik doe er nog iets zinvols mee." Haar Tropas-collectie bestaat uit drie soorten schoenen: sneakers, hakken en hoge hakken. "Mijn ontwerpen zijn zo eenvoudig mogelijk, met zo min mogelijk verschillende materialen. Want hoe meer materialen, hoe moeilijker je ze nadien kunt ontmantelen en elk onderdeel een nieuwe bestemming kunt geven. Circulair betekent ook dat alle materialen na gebruik gerecycleerd kunnen worden. Je wordt uitgedaagd door de beperkingen die je jezelf oplegt. Zo gebruik ik bijna geen schadelijke lijmen, de schoenen worden genaaid. De hieltjes zijn van Europees grenenhout, de zolen van het rubber van autobanden." De preproductie gebeurt in Oost-Vlaanderen, zoals het inzamelen, wassen en snijden van de jeansbroeken. Peirs werkt daarvoor samen met de kringloopwinkel Den Azalee en de Witte Hoeve, een arbeidscentrum voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. De schoenen worden gemaakt in een klein, ambachtelijk familiebedrijf in het Spaanse Alicante. Volgens Peirs is het moeilijk in België een fabrikant te vinden die in kleine oplages en duurzaam wil werken. "De schoenenindustrie is log en seizoensgebonden, met weinig zin in innovatie. Winkels kopen heel snel in, waardoor je ontwerpen een jaar op voorhand klaar moeten zijn en je dus een jaar op voorhand je collectie moet prefinancieren." Ze verkoopt voorlopig 90 procent rechtstreeks, via Instagram, pop-ups en beurzen. "Ik ben op zoek naar de juiste binnen- en buitenlandse winkels. Mensen kopen schoenen omdat ze zich ertoe aangetrokken voelen, dan kijken ze naar het comfort en de prijs, en dan pas komt mijn duurzaam verhaal." Volgens Caro Peirs zijn we gewoon schoenen tussen 30 en 100 euro te kopen. "We zijn daarin miskweekt. Onze ouders en grootouders hadden een binding met hun kledij, wisten waar die vandaan kwam, waardeerden de arbeid die erachter schuilging en droegen er zorg voor. Nu gooien we kledij weg, zelfs als ze nog niet versleten is. Doordat er nu zoveel tegen dumpingprijzen wordt geproduceerd, weten we niet meer wat iets echt kost en vinden we een schoen van 200 euro heel duur. Een T-shirt van 2 euro, dat is nochtans schandalig: waar is de kostprijs van de mensen die het katoen geplukt hebben, van het kleuren, het maken en het transport?" Peirs' bedrijfje is voorlopig niet zelfbedruipend. "Ik streef naar een constante cashflow om de volgende collectie te prefinancieren. Nadien hoop ik mezelf een loon uit te keren, want nu investeer ik vooral eigen middelen. Ik kan mijn schoenen niet goedkoper maken, want dan klopt het plaatje niet meer. Maar ik wil ze ook niet duurder maken, ze moeten toegankelijk blijven voor een breed publiek. Fast fashion houdt een systeem van uitbuiting in stand, waarbij mensen met een laag inkomen toch kunnen deelnemen aan de consumptiemaatschappij. Zij zorgen er op hun beurt voor dat mensen aan de andere kant van de wereld met een heel laag inkomen blijven zitten. Dat is een pervers systeem, maar ik verwijt de consumenten niets. De hele mode-industrie moet op de schop." Zowel Soraya Wancour als Caro Peirs kiest voor de moeilijke weg. Wancour: "Vaak krijg ik de vraag waarom ik niet naar de reguliere confectie ga in plaats van met maatwerkbedrijven samen te werken, of waarom ik geen nieuwe stoffen koop. Maar dan zou ik het DNA van mijn bedrijf verloochenen. De slinger moet ooit terugkeren, want zo kan het niet verder." De mode-industrie produceert jaarlijks meer dan 1 miljard kleren en is een van 's werelds meest vervuilende sectoren. Jaarlijks verbranden we ook miljoenen tonnen kleding. Iedere Europeaan verbruikt jaarlijks 1,3 ton primaire materialen en meer dan 100 kubieke meter water voor kledij, schoeisel en huiselijk textiel, blijkt uit de jongste cijfers van het Europese milieuagentschap EEA. Zodra een kledingstuk gemaakt is, gaat de verspilling voort. Maar liefst 80 procent van het textiel wordt niet hergebruikt of hersteld, veel kledingstukken worden zelfs nooit verkocht. Die 80 procent belandt uiteindelijk in de verbrandingsoven of op de afvalberg. Het hoopgevende nieuws is dat een circulaire aanpak en de principes van ecodesign en hergebruik die impact sterk kunnen verminderen, stelt het agentschap. Volgens Jasmien Wynants, expert duurzame mode bij Flanders District of Creativity (DC), zitten we echter nog altijd in een lineair take-make-waste-systeem. Je maakt iets en verkoopt het, het wordt een tijdlang gebruikt en daarna wordt het afgedankt. Op die manier zijn grondstoffen altijd gedoemd om afval te worden. "Door circulair te denken, houd je materiaal in omloop en is er geen afval meer. Je verspilt zo min mogelijk materiaal en gebruikt producten zo lang mogelijk. Dat kun je biologisch of technologisch aanpakken, door onderdelen van kledij opnieuw uit elkaar te halen en te hergebruiken, of door materialen bio-afbreekbaar te maken. Circulair gaat ook over de focus op de levensduur van een product en materialen in een zo hoog mogelijke staat van waarde te behouden. Waarom is de mode-industrie een van de meest vervuilende sectoren? Dat heeft alles te maken met de businessmodellen in fast fashion, het ritme waarin we produceren en overconsumeren." De switch naar massaconfectie leidde volgens Wynants wel tot een democratisering van de mode, maar het model is totaal ontspoord. Ze helpt modebedrijven de transitie naar een circulair model te maken. "Vijf jaar geleden hebben we samen met Vlaanderen Circulair een platform ontwikkeld: Close The Loop, een informatieplatform over circulaire economie in de mode. Vervolgens hebben we trajecten van ongeveer een jaar opgezet, waarmee we samen met meer mature bedrijven een project op maat uitstippelen om hun duurzaamheidsstrategie te bepalen. Vorig jaar hebben we een tweede editie afgerond met zeven bedrijven, binnenkort starten we een derde op. Het Belgische pyjamamerk Woody bijvoorbeeld heeft een eigen fabriek in Turkije en controleert daardoor dat onderdeel van het productieproces volledig. Er loopt ook een onderzoeksproject waar wordt bekeken of labels hun kledij kunnen terughalen en hoe ze die van de afvalfberg kunnen redden." De circulaire aanpak groeide voornamelijk vanuit start-ups, die wel vaker een sector wakker schudden en een transitie in gang zetten. Maar volgens Wynants zitten we op een kantelpunt, waarbij ook gevestigde individuele ontwerpers, familiebedrijven en zelfs fastfashionretailers zoeken naar manieren om te verduurzamen. "Zeker voor familiebedrijven die al jaar en dag bestaan, is zo'n omschakeling een enorme uitdaging. Het is een proces van lange adem, maar er komt gelukkig steeds meer wetgeving via de Europese Green Deal. Ik geloof sterk dat bedrijven stap voor stap, collectie per collectie, moeten streven om meer circulair te worden, terwijl het achterliggende systeem herdacht wordt." Aan het einde van de rit is ook een logistieke revolutie nodig. Jan Merckx van het Vlaams Instituut voor Logistiek (VIL) is projectleider van Cilotex, wat staat voor Circulaire Logistiek voor de Textielindustrie. Zeven bedrijven namen deel aan het project: Bel&Bo, Eurofrip, Happy Kiddo, JBC, Komosie, Malysse en Nike. "Een cruciaal begrip is reverse logistics. Dat betekent dat je de levenscyclus van producten zo ontwerpt, dat de volgende in de keten - zoals een recyclagebedrijf - gemakkelijk aan de slag kan met het product van de vorige", zegt Merckx. "Een van de opties die het hergebruik vergemakkelijken, is met makkelijk recycleerbare onderdelen te werken, zoals herbruikbare vezels, slimme sluitingssystemen of naaigarens die in bepaalde omstandigheden kunnen oplossen. We proberen onze logistieke keuzes ook aan te passen aan hoe textiel binnen enkele jaren gemaakt wordt." De grootste uitdaging is: hoe krijg je alle kledij weer in de juiste stromen? Voor textiel is dat volgens Merckx extra moeilijk omdat het een van de minst transparante supplychains is. "Op het waslabel staat meestal enkel het soort vezels. Welke kleur- of rekstoffen erin zitten, staat er niet op. Het label wordt vaak weggeknipt of is niet meer leesbaar. Kringwinkels hebben te weinig informatie op hun sorteerlijnen, zodat ze niet weten wat ze ermee moeten doen, net zomin als de ophalers en de consumenten. Europa zal in de toekomst vragen een productpaspoort te maken voor elk kledingstuk dat op de markt komt. In de barcode moet staan wat in het product zit, waar het gemaakt is, hoe je het kunt hergebruiken, herstellen of recycleren. De technologie is er, maar je hebt een neutrale speler nodig die de sortering doet en de kledij in de juiste richting kanaliseert. Maar als het ophalen en sorteren van kledij enkel economisch bekeken wordt, zal kledij nog altijd op tweedehandsmarkten en op stortplaatsen in Afrika belanden." Merckx gelooft sterk in een allesomvattende strategie om circulair textiel in de Europese Unie te stimuleren. Daar hoort zeker uitgebreide producentenverantwoordelijkheid bij, waardoor producenten en importeurs van kleding en textiel mee verantwoordelijk worden voor de volledige levenscyclus van een product, inclusief de terugname en de verwerking. De producenten kunnen bijvoorbeeld de recyclingbedrijven betalen. En om het hergebruik van meer gebruikte materialen te verhogen, kunnen producenten en importeurs vervolgens een korting krijgen. Als je dat op Europese schaal opzet, neemt de vraag naar gerecyclede garens toe, gaat de prijs omlaag en wordt het minder aantrekkelijk voor nieuwe grondstoffen te kiezen. Het huidige EU-beleid verplicht de lidstaten tegen 2025 om textielafval afzonderlijk te verzamelen en te verzekeren dat het niet gestort of verbrand wordt. In de toekomst zal Europa voor zijn eigen afval moeten zorgen. De revolutie zal echter niet van de consument komen, beseffen alle gesprekspartners. "Jammer genoeg dumpen de Europeanen nog altijd veel textiel gewoon bij het huisvuil, de Belgen op kop. Onze kleerkasten puilen ook nog altijd uit", zegt Merckx. "Maar als de wetgevers de juiste stimulansen geven, kunnen circulaire businessmodellen groeien en zullen de investeerders meer geloven in bedrijven die vooropgaan in de circulaire revolutie. Kleine initiatieven zijn mooi, maar de volumes komen van de grote modemerken."