Allereerst zijn er cijfers over de 'subjectieve armoede': voelt de Belg zich arm? Vorig jaar gaf 15,4 procent aan in een huishouden te leven dat (zeer) moeilijk de eindjes aan elkaar kan knopen. In 2019 was dat nog 19,3 procent. Mogelijk speelt de coronapandemie een rol, zo geeft Statbel aan, omdat de uitgaven tijdelijk beperkt werden. Denk maar aan de sluiting van bepaalde winkels, horeca en musea, het verbod op schooluitstappen en niet-essentiële buitenlandse reizen, enzovoort. Daarnaast voerde Statbel een onderzoek naar 'materiële en sociale deprivatie', ook een indicator voor armoede. Daarbij werden meer dan 7.500 gezinnen bevraagd over dertien aspecten rond uitgaven en sociale contacten.

Het is uit deze bevraging dat bijvoorbeeld blijkt dat 22,3 procent niet in staat is om een onverwachte uitgave te doen en dat 20,3 procent zich geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven. Voorts kon meer dan een op de tien Belgen het zich niet veroorloven om beschadigde of versleten meubels te vervangen, om wekelijks een bedrag uit te geven voor persoonlijke behoeften, of nog om regelmatig deel te nemen aan vrijetijdsactiviteiten (zoals sport, film, concert ...).

Wie zich zeven van de dertien aspecten niet kan permitteren om financiële redenen, wordt beschouwd als 'ernstig materiaal en sociaal gedepriveerd'. Dat was in 2021 het geval voor 6,3 procent van de Belgische bevolking, zegt Statbel, of een op de zestien gezinnen. In Vlaanderen ging het om 4,4 procent, in Wallonië om 8 procent en in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest om 11,5 procent.

Toch lijkt ook deze indicator lichtjes in de goede richting te evolueren. In 2021 werd 10,2 procent beschouwd als 'materiaal en sociaal gedepriveerd', wat betekent dat ze zich vijf van de dertien aspecten niet kunnen veroorloven. In 2019 en 2020 was dat telkens 11 procent. De meest kwetsbare groepen voor materiële en sociale deprivatie zijn werklozen, huurders, Belgen in een eenoudergezin en mensen met de laagste inkomens.

Allereerst zijn er cijfers over de 'subjectieve armoede': voelt de Belg zich arm? Vorig jaar gaf 15,4 procent aan in een huishouden te leven dat (zeer) moeilijk de eindjes aan elkaar kan knopen. In 2019 was dat nog 19,3 procent. Mogelijk speelt de coronapandemie een rol, zo geeft Statbel aan, omdat de uitgaven tijdelijk beperkt werden. Denk maar aan de sluiting van bepaalde winkels, horeca en musea, het verbod op schooluitstappen en niet-essentiële buitenlandse reizen, enzovoort. Daarnaast voerde Statbel een onderzoek naar 'materiële en sociale deprivatie', ook een indicator voor armoede. Daarbij werden meer dan 7.500 gezinnen bevraagd over dertien aspecten rond uitgaven en sociale contacten.Het is uit deze bevraging dat bijvoorbeeld blijkt dat 22,3 procent niet in staat is om een onverwachte uitgave te doen en dat 20,3 procent zich geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven. Voorts kon meer dan een op de tien Belgen het zich niet veroorloven om beschadigde of versleten meubels te vervangen, om wekelijks een bedrag uit te geven voor persoonlijke behoeften, of nog om regelmatig deel te nemen aan vrijetijdsactiviteiten (zoals sport, film, concert ...).Wie zich zeven van de dertien aspecten niet kan permitteren om financiële redenen, wordt beschouwd als 'ernstig materiaal en sociaal gedepriveerd'. Dat was in 2021 het geval voor 6,3 procent van de Belgische bevolking, zegt Statbel, of een op de zestien gezinnen. In Vlaanderen ging het om 4,4 procent, in Wallonië om 8 procent en in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest om 11,5 procent.Toch lijkt ook deze indicator lichtjes in de goede richting te evolueren. In 2021 werd 10,2 procent beschouwd als 'materiaal en sociaal gedepriveerd', wat betekent dat ze zich vijf van de dertien aspecten niet kunnen veroorloven. In 2019 en 2020 was dat telkens 11 procent. De meest kwetsbare groepen voor materiële en sociale deprivatie zijn werklozen, huurders, Belgen in een eenoudergezin en mensen met de laagste inkomens.