De wet van 3 juli 1978 stelt dat arbeidsovereenkomsten geschorst kunnen worden als de weersomstandigheden te slecht zijn om te werken. Bijvoorbeeld omdat de grondstoffen dan niet verwerkt kunnen worden. Of omdat de veiligheid in het gedrang is. Het slechte weer moet de oorzaak zijn van de onmogelijkheid tot werken. Een gebrek aan werk wegens het slechte weer telt niet. Bijvoorbeeld: voor een ijsjesverkoper aan de kust die niets verkoopt omdat het regent, kan geen gebruik worden gemaakt van de regeling om de arbeidsovereenkomst te schorsen. De werkgever moet de betrokken werknemers voor de start van hun werktijd op de hoogte brengen van deze omstandigheden. Wacht hij te lang, dan moet hij toch loon betalen voor die dag. Ook de RVA moet worden verwittigd. Dit moet op de eerste dag van de maand waarop de tijdelijke werkloosheid wegens slecht weer wordt ingeroepen. Op die manier kan de overheid de gegrondheid ervan controleren. De werknemer die getroffen wordt door tijdelijke werkloosheid wegens slecht weer ontvangt een tegemoetkoming van de RVA plus een bijdrage uit het Fonds voor Bestaanszekerheid. De uitkering van de RVA bedraagt 75% van het (geplafonneerde) brutoloon voor de alleenstaande werknemers of zij die met een partner samenwonen die over geen inkomsten beschikt en 70% van het (geplafonneerde) brutoloon voor de overige werknemers. Dat geplafonneerde loon bedraagt 2.324,39 euro per maand of 89,39 euro per dag zodat dit neerkomt op 67,04 euro (75%) of 62,57 euro (70%) per dag voor de bouwvakkers. De extra bijdrage uit het Fonds voor Bestaanszekerheid bedraagt 6,34 euro voor een arbeider categorie I; 6,66 euro voor een arbeider categorie IA, 7,63 euro voor een arbeider categorie IIA, 8,02 euro voor een arbeider categorie IIA, 10,08 euro voor een arbeider categorie III en 10,85 euro voor een arbeider categorie IV. (DLA)

De wet van 3 juli 1978 stelt dat arbeidsovereenkomsten geschorst kunnen worden als de weersomstandigheden te slecht zijn om te werken. Bijvoorbeeld omdat de grondstoffen dan niet verwerkt kunnen worden. Of omdat de veiligheid in het gedrang is. Het slechte weer moet de oorzaak zijn van de onmogelijkheid tot werken. Een gebrek aan werk wegens het slechte weer telt niet. Bijvoorbeeld: voor een ijsjesverkoper aan de kust die niets verkoopt omdat het regent, kan geen gebruik worden gemaakt van de regeling om de arbeidsovereenkomst te schorsen. De werkgever moet de betrokken werknemers voor de start van hun werktijd op de hoogte brengen van deze omstandigheden. Wacht hij te lang, dan moet hij toch loon betalen voor die dag. Ook de RVA moet worden verwittigd. Dit moet op de eerste dag van de maand waarop de tijdelijke werkloosheid wegens slecht weer wordt ingeroepen. Op die manier kan de overheid de gegrondheid ervan controleren. De werknemer die getroffen wordt door tijdelijke werkloosheid wegens slecht weer ontvangt een tegemoetkoming van de RVA plus een bijdrage uit het Fonds voor Bestaanszekerheid. De uitkering van de RVA bedraagt 75% van het (geplafonneerde) brutoloon voor de alleenstaande werknemers of zij die met een partner samenwonen die over geen inkomsten beschikt en 70% van het (geplafonneerde) brutoloon voor de overige werknemers. Dat geplafonneerde loon bedraagt 2.324,39 euro per maand of 89,39 euro per dag zodat dit neerkomt op 67,04 euro (75%) of 62,57 euro (70%) per dag voor de bouwvakkers. De extra bijdrage uit het Fonds voor Bestaanszekerheid bedraagt 6,34 euro voor een arbeider categorie I; 6,66 euro voor een arbeider categorie IA, 7,63 euro voor een arbeider categorie IIA, 8,02 euro voor een arbeider categorie IIA, 10,08 euro voor een arbeider categorie III en 10,85 euro voor een arbeider categorie IV. (DLA)