Een verzekeringsbon is een tak21-levensverzekering. De vaste rente is vooraf gekend en gegarandeerd, waardoor het een interessant instrument is voor wie gemoedsrust belangrijker vindt dan hoge potentiële winsten. In een verzekeringsbon stort je meestal eenmalig een som. De meeste verzekeraars hanteren hierbij een minimuminleg (bijvoorbeeld 2.500 euro). Je betaalt hierop een verzekeringstaks van twee procent plus instapkosten die tussen één procent tot vijf procent liggen.

Verzekeringsbonnen hebben meestal een looptijd tussen drie jaar en acht jaar plus een dag. De intresten worden doorgaans niet tussentijds uitbetaald, maar wel gekapitaliseerd. Ze worden dus bij het oorspronkelijk belegde kapitaal gevoegd, zodat ze het jaar nadien zelf intresten opbrengen. Op de eindvervaldag ontvang je dan het ingelegde kapitaal plus alle opgespaarde intresten.

De touwtjes in handen

De verzekeringsbon voorziet doorgaans ook een overlijdensdekking. Bij het overlijden van de verzekerde gaat het opgebouwde bedrag naar de opgegeven begunstigde. Die hoeft niet noodzakelijk je partner of je kind te zijn: het kan evengoed een andere persoon zijn die je hebt aangeduid. Maar vermits de verzekeringsbon altijd ingeschreven is op naam van de bezitter, hou je zelf de touwtjes in handen. Handig dus in het kader van patrimoniumplanning.

Bij de uitbetaling is geen roerende voorheffing verschuldigd wanneer de verzekeringsbon meer dan acht jaar gelopen heeft. Dat is ook het geval wanneer hij voorziet in een overlijdensdekking van minstens 130 procent van het startkapitaal. Voldoe je niet aan deze voorwaarden, dan betaal je 25 procent roerende voorheffing die wordt berekend op een fictieve intrest. Ter info: andere uitstapkosten zijn er niet.

Afkopen wordt afgestraft

Nog even dit: stop enkel geld in een verzekeringsbon die je gedurende de volledige looptijd kan missen. Als je het contract vroegtijdig wil beëindigen, moet er immers een afkoopvergoeding betaald worden. En die kan hoog oplopen. (RVE)