Robert Shiller, hoogleraar economie aan de vermaarde YaleUniversity en Nobelprijswinnaar voor Economie, ontwikkelde een theorie om ondergewaardeerde aandelen te ontdekken die een hoger rendement opleveren dan de beurs. Tegenwoordig kunnen beleggers wereldwijd de vruchten van die vondst plukken door Shiller hun beleggingsportefeuille te laten beheren. Niet door hem persoonlijk weliswaar, maar via passief beheerde beleggingsfondsen of ETF's, die aandelenindexen kopen die volgens de Shiller-methode zijn samengesteld.
...

Robert Shiller, hoogleraar economie aan de vermaarde YaleUniversity en Nobelprijswinnaar voor Economie, ontwikkelde een theorie om ondergewaardeerde aandelen te ontdekken die een hoger rendement opleveren dan de beurs. Tegenwoordig kunnen beleggers wereldwijd de vruchten van die vondst plukken door Shiller hun beleggingsportefeuille te laten beheren. Niet door hem persoonlijk weliswaar, maar via passief beheerde beleggingsfondsen of ETF's, die aandelenindexen kopen die volgens de Shiller-methode zijn samengesteld.Het is een van de vele voorbeelden van een nieuw type indexfondsen dat in opmars is: de factor-ETF's. Factorbeleggen is een manier van beleggen volgens regels waarvan wetenschappelijk is bewezen dat ze een bovengemiddeld rendement opleveren. Volgens de fondsenspecialist Morningstar zijn er wereldwijd bijna 1500 factor-ETF's beschikbaar, die indexen volgen die empirisch onderbouwd zijn samengesteld. Gewone indexfondsen of ETF's volgen een standaardindex, zoals de Bel-20 of de S&P500. Daarmee kopen beleggers die hele korf aandelen. Factor-ETF's volgen indexen die bestaan uit een bepaald type aandeel. Van vijf hoofdfactoren is de afgelopen decennia bewezen dat ze bovengemiddelde rendementen kunnen opleveren (zie kader De grote vijf). "Eenvoudig uitgelegd zijn factoren risicopremies", zegt Ivan Snurer, beleggingsadviseur en zaakvoerder van Quantalytica. "Beleggers denken bij factorbeleggen vaak aan extra rendement, maar factoren zijn de facto bronnen van risico, omdat je geld verliest als je ze verkeerd gebruikt." De risicopremie drukt uit hoeveel rendement beleggers verwachten voor het risico dat ze nemen door in een bepaalde activaklasse te beleggen."Elke risicofactor heeft een eigen premie", stelt Frederiek Schoubben, docent beleggingsleer aan de KU Leuven. Aandelen zijn risicovoller dan obligaties, dus hebben aandelen een hogere risicopremie en een bijbehorend hoger rendement. Van aandelen van kleine bedrijven is wetenschappelijk bewezen dat ze een hoger risico inhouden, maar tegelijk een hoger rendement bieden dan de hele aandelenmarkt. "Kleine bedrijven zijn risicovoller dan grote bedrijven, doordat er minder in wordt gehandeld. Ze lijden ook sterker onder economisch cycli en zijn daardoor gevoeliger voor koersschommelingen. Dus hebben ze een andere risicopremie", verduidelijkt Frederiek Schoubben. "Met factorbeleggen kiezen beleggers welk type risicopremie ze willen oogsten", bevestigt Ivan Snurer. Dat een hogere risicopremie zorgt voor een bovengemiddeld rendement, gaat evenwel niet altijd op. Zo bieden laagvolatiele aandelen, waarvan de koers minder schommelt dan de algemene markt, systematisch een hoger rendement. Intuïtief zou je het omgekeerde verwachten. Dat heeft een psychologische verklaring, aldus Frederiek Schoubben. "Beleggers associëren risico met rendement en worden daardoor overmatig gezogen naar risicovolle aandelen, zoals Tesla", legt hij uit. Kuddegedrag dus. "Daardoor schiet de koers van die aandelen de hoogte in, en wordt het potentiële rendement ervan steeds lager. Minder sexy aandelen hebben minder kopers, waardoor hun koers laag blijft en ze meer potentieel rendement behouden." Een factor verwijst altijd naar een systematisch herhaald fenomeen op de aandelenmarkt. "Alle professionele beleggers en vermogensbeheerders weten dat kleine bedrijven en ondergewaardeerde en laagvolatiele aandelen hogere rendementen halen, maar toch verdwijnt dat effect niet uit de markt", legt Frederiek Schoubben uit. "Dat maakt die eigenschappen tot een factor. Zodra zo'n afwijking empirisch en wetenschappelijk is vastgesteld, kun je regels vastleggen om ermee te beleggen." Die regels worden gebruikt om indexen mee samen te stellen. Beleggers profiteren daarvan via de ETF's die die indexen volgen. "Het is bewezen dat factorbeleggen het over lange periodes 1 tot 1,5 procent beter doet dan de markt", zegt Ivan Snurer. Daarmee is succesvol factorbeleggen, net zoals gewoon beleggen, een zaak voor de lange termijn. "Hoe langer je inzet op bepaalde factoren, hoe meer je van dat extra rendement profiteert", stelt Snurer. Factorbeleggen heeft verscheidene voordelen. "Een eerste voordeel is dat het voor beleggers duidelijk is waarin ze beleggen", stelt Ivan Snurer. Daarmee hangt samen dat het beleggers de nodige discipline verschaft om zich aan een bepaalde strategie te houden. Als ze kiezen voor het extra risico en het bijbehorende rendement van kleine bedrijven, zullen ze met een factor-ETF geen aandelen van Apple, Ford of Delhaize in hun portefeuille halen. Een ander groot voordeel zijn de lage kosten, aldus Ivan Snurer. "De beheerkosten van factor-ETF's zijn aanzienlijk lager dan actief beheerde fondsen", stelt hij. Maar factorbeleggen is geen wondermiddel. Het heeft ook de beperkingen van gewoon beleggen: de timing bijvoorbeeld. "Het is heel moeilijk de markt te timen in de hoop extra rendement te halen. Bij factorbeleggen is dat ook zo", legt Ivan Snurer uit. Frederiek Schoubben treedt hem bij: "Op lange termijn kloppen factorindexen altijd de standaardindexen, maar er zijn ook momenten dat sommige factoren het slechter doen dan het marktgemiddelde. Let wel: afgezet tegen alle factoren, zal de standaardindex nooit het hoogste rendement opleveren." Factorbeleggers moeten soms dus een stevige maag hebben om de periodes dat ze onderpresteren door te komen. Zo liggen de rendementen van ondergewaardeerde aandelen al enkele jaren onder het marktgemiddelde. Ook al is timen moeilijk, toch zijn er vuistregels voor wanneer een belegger kan inzetten op een factor. Zo zijn ondergewaardeerde en kleine aandelen het aantrekkelijkst als de aandelenmarkt herstelt. "Als de beurs zich na een dip hervat, kopen beleggers vooral aandelen van bekende en grote bedrijven. Net dan moet je genegeerde aandelen kopen", benadrukt Frederiek Schoubben. Als de aandelenmarkt in de volgende fase alleen maar in stijgende lijn zit, in een zogenoemde stierenmarkt, is de momentumfactor aan zet. "Die aandelen gaan dan voor een tijdje gekocht blijven worden, waardoor hun koers blijft stijgen", zegt Frederiek Schoubben. In het omgekeerde scenario, waarin de markt in elkaar stuikt, zijn de factoren van laagvolatiele en kwalitatieve bedrijven koopwaardig. "Dat zijn aandelen van goed geleide bedrijven met een robuuste winstgevendheid", legt Schoubben uit. Onlangs zijn er multifactorindexen en bijbehorende ETF's ontwikkeld die verschillende factoren combineren. Daarmee kunnen beleggers met een ETF inzetten op bepaalde factoren tegelijk. Omdat de samenstelling regelmatig moet worden aangepast om nog aan de factorregels te voldoen, zijn die ETF's iets duurder dan monofactor-ETF's.