Nu de rente stilaan begint te stijgen, hebben obligatiefondsen het steeds moeilijker nog een positief rendement te halen. Dat is logisch, want bij een klimmende rente dalen de onderliggende obligatiekoersen. Bovendien moet je altijd kijken naar het reële rendement, dus na afhouding van de kosten. Bij obligatiefondsen kunnen de instapkosten oplopen tot 3 procent, en de jaarlijkse kosten bedragen doorgaans nog eens tussen 0,8 en 1,2 procent.

Weinig beperkingen

Het grote voordeel van flexibele obligatiefondsen is dat ze doorgaans heel weinig beperkingen hebben en zich vlot kunnen aanpassen aan de marktomstandigheden. Ze kunnen beleggen in allerlei obligaties (van investment grade tot high yield), vreemde valuta en krediet- en rentederivaten. Kortom, in tegenstelling tot de klassieke obligatiefondsen heeft de beheerder een ruimere waaier aan beleggingsmogelijkheden en kan hij snel de gemiddelde looptijd van de portefeuille aanpassen aan de stijgende rente.

Maar presteren ze ook beter dan klassieke obligatiefondsen? Een recente studie van Morningstar wijst uit dat flexibele obligatiefondsen in een stijgende renteomgeving "gemiddeld genomen" beter renderen dan de klassieke obligatiefondsen. Maar die fondsen vertonen wel een veel sterkere correlatie met meer risicovolle beleggingen zoals aandelen en hoogrentende obligaties, waardoor het gemiddelde risico van de portefeuille stijgt. Het renterisico wordt als het ware vervangen door een kredietrisico.

Flexibele obligatiefondsen zijn dus zeker niet de ultieme oplossing voor het obligatiedeel van je portefeuille, nu de rente langzaam stijgt. Maar een stukje van je obligatieportefeuille switchen van klassieke naar flexibele obligatiefondsen, is misschien wel te overwegen.