De Europese Centrale Bank (ECB) staat voor de week van de waarheid. De vraag is of voorzitter Mario Draghi na de ontgoocheling begin december nog een andere keuze heeft dan een verdere monetaire versoepeling aan te kondigen, waarbij de ECB overheidsobligaties en ander schuldpapier opkoopt. De Europese financiële markten zouden weleens bijzonder zenuwachtig kunnen reageren bij een nieuwe teleurstelling, temeer omdat enkele dagen daarna in Griekenland verkiezingen worden gehouden.

Ondanks de weerstand uit Duitsland verwachten we dat Draghi op donderdag 22 januari de Rubicon oversteekt en verdere maatregelen aankondigt. De essentiële vraag voor de marktreactie lijkt niet of er een kwantitatieve versoepeling komt, maar of het voorgestelde bedrag voldoende hoog zal zijn om de markten te overtuigen. Een bedrag van 500 miljard euro lijkt de consensus te zijn, maar niet iedereen vindt dat voldoende.

Japanse toestanden

De eurozone heeft intussen de fase van de deflatie bereikt. We zijn het met veel economen eens dat een negatieve inflatie door de dalende energieprijzen veeleer positief is. Maar ook de kerninflatie - zonder voeding en energie - ligt ver onder de doelstelling van 2 procent van de ECB en evolueert richting het nulpunt. Dat wijst op problemen, waar de ECB het beste op tijd ten strijde tegen trekt om een herhaling van Japanse toestanden te voorkomen.

Het is duidelijk dat de Europese aandelenmarkten een impuls nodig hebben om te blijven stijgen. Zo'n trigger moet een einde maken aan de zwakke prestatie van de voorbije maanden, zeker in de context van de sterke dollar en de fors lagere olieprijs. De ECB moet optreden zoals de Bank of Japan in het najaar van 2014 de Japanse beurs uit het dal trok, of zoals de Federal Reserve Wall Street heeft doen floreren.

Kordaat optreden

Sinds de bodem van maart 2009 bleef het herstel voor de Europese Stoxx600-index beperkt tot een stijging van 115 procent, tegenover de klim van 205 procent van de S&P500-index. Die kloof moet deels door het kordatere optreden van de ECB een stuk kleiner worden. Het winstherstel van de gunstige factoren van de sterke dollar en de lage olieprijzen zijn absoluut nog niet in de Europese aandelenkoersen terug te vinden. (DR)

De Europese Centrale Bank (ECB) staat voor de week van de waarheid. De vraag is of voorzitter Mario Draghi na de ontgoocheling begin december nog een andere keuze heeft dan een verdere monetaire versoepeling aan te kondigen, waarbij de ECB overheidsobligaties en ander schuldpapier opkoopt. De Europese financiële markten zouden weleens bijzonder zenuwachtig kunnen reageren bij een nieuwe teleurstelling, temeer omdat enkele dagen daarna in Griekenland verkiezingen worden gehouden.Ondanks de weerstand uit Duitsland verwachten we dat Draghi op donderdag 22 januari de Rubicon oversteekt en verdere maatregelen aankondigt. De essentiële vraag voor de marktreactie lijkt niet of er een kwantitatieve versoepeling komt, maar of het voorgestelde bedrag voldoende hoog zal zijn om de markten te overtuigen. Een bedrag van 500 miljard euro lijkt de consensus te zijn, maar niet iedereen vindt dat voldoende.De eurozone heeft intussen de fase van de deflatie bereikt. We zijn het met veel economen eens dat een negatieve inflatie door de dalende energieprijzen veeleer positief is. Maar ook de kerninflatie - zonder voeding en energie - ligt ver onder de doelstelling van 2 procent van de ECB en evolueert richting het nulpunt. Dat wijst op problemen, waar de ECB het beste op tijd ten strijde tegen trekt om een herhaling van Japanse toestanden te voorkomen.Het is duidelijk dat de Europese aandelenmarkten een impuls nodig hebben om te blijven stijgen. Zo'n trigger moet een einde maken aan de zwakke prestatie van de voorbije maanden, zeker in de context van de sterke dollar en de fors lagere olieprijs. De ECB moet optreden zoals de Bank of Japan in het najaar van 2014 de Japanse beurs uit het dal trok, of zoals de Federal Reserve Wall Street heeft doen floreren.Sinds de bodem van maart 2009 bleef het herstel voor de Europese Stoxx600-index beperkt tot een stijging van 115 procent, tegenover de klim van 205 procent van de S&P500-index. Die kloof moet deels door het kordatere optreden van de ECB een stuk kleiner worden. Het winstherstel van de gunstige factoren van de sterke dollar en de lage olieprijzen zijn absoluut nog niet in de Europese aandelenkoersen terug te vinden. (DR)