Gaan millennials anders met geld om dan babyboomers? We laten hen graag zelf aan het woord.
...

'Eindelijk!' is mijn eerste gedachte. Eindelijk wordt de noodzaak op scherp gesteld om de schade van menselijke activiteiten aan de natuur en het milieu te verrekenen in financiële risicomodellen. Problemen die vroeger nog als externaliteiten konden worden weggezet - effecten die buiten het kostenplaatje van de activiteit vallen - worden eindelijk belangrijk genoeg gevonden om ze te internaliseren. Lees: om de kosten ervan standaard mee te tellen. Die rekenoefening kan verstrekkende gevolgen hebben. Neem de energiesector. In 2018 waren wereldwijd 8,7 miljoen vroegtijdige overlijdens te betreuren die rechtstreeks gelinkt waren aan het gebruik van fossiele brandstoffen. Reken daarbij een veelvoud aan bijkomende astmapatiënten en cardiovasculaire ziekten. Wat als de kosten van die gezondheidsimpact verrekend waren in de brandstofprijzen? Toch knettert het ook in mijn hoofd als ik zo'n bericht lees. Het benoemen van de rol van een gezond ecosysteem als 'natuurlijke hulpbronnen', of met een actueler woord 'ecosysteemdiensten', zegt veel over het mens- en wereldbeeld achter die woordkeuze. Het verraadt het zelfbeeld van de mens als een wezen buiten of zelfs uitgestegen boven de natuur. Die noemen we dan 'het milieu' of 'de leefomgeving'. Sommigen van ons zijn liefhebbers van de natuur en vinden in haar zelfs een vrijetijdsbesteding. Maar evengoed staat het ons al vele decennia vrij om niets te hebben met de natuur en haar te zien als een leverancier van exploiteerbare grondstoffen voor ons levensonderhoud. De natuur levert ecosysteemdiensten aan de economie van de mens. Dat ecosysteem begint in de beleving van veel mensen pas buiten het tuinhek. Daarbinnen hoort de natuur zich aan onze regels te houden, te bloeien binnen de perken en vooral niet te groeien tussen de klinkers en de kiezels. Dat antropocentrisme komt ons in deze eeuw duur te staan. Hoewel ecosysteemdiensten klinken als een becijferbare lijn in een businessplan, zijn ze in werkelijkheid de basis van alle leven. Ze zijn niet zomaar een factor om rekening mee te houden, ze zijn het begin (of het einde) van alles en onze controle erover is beperkt. Zonder bestuivende insecten stopt de voortplanting van een massa planten, zonder voldoende bladgroenhoudende gewassen is er geen zuurstof, zonder zuurstof geen ademhaling. Zonder ademhaling hebben blitse financiële risicomodellen een eerder beperkte betekenis. In die zin klinkt de analyse van De Nederlandsche Bank als een dokter die onderzoekt wat het risico op hartritmestoornissen is in geval van doodgaan. 'Biodiversiteitsverlies' klinkt nog als een in te calculeren risico. 'Uitstervingsgolf' al een stuk minder. Wie aandachtig let op de taal van fondsbeheerders en verzekeraars kan er niet meer naast luisteren: de gangbare financiële logica keert relaties en prioriteiten om. De relatie tussen de mens en het ecosysteem, maar ook de relatie van het individu versus het collectief. In de logica van pensioenfondsen wordt de absurditeit daarvan steeds scherper zichtbaar. Het doel van een pensioenfonds is in essentie: ervoor zorgen dat je na je loopbaan een bepaalde levensstandaard kunt handhaven. Die functie hebben we vertaald als: zorg voor een voldoende grote spaarpot. De verantwoordelijkheid voor die spaarpot hebben we de voorbije decennia steeds verder geïndividualiseerd. De eerste pijler, die wordt gedragen door de sociale zekerheid en steunt op het solidariteitsprincipe, volstaat niet meer voor een waardig pensioen. De tweede pijler, waarin werkgevers en werknemers van elke beroepsgroep of elk bedrijf voor ieder lid een pensioenreserve bijeensparen met een aftrek van belastingen, wordt dankzij incentives van de overheid steeds belangrijker. De derde pijler is er voor wie een extra duit in het eigen zakje-voor-later wil doen met een fiscaal voordeel. Veel solidariteit is daar niet mee gemoeid. Mensen met een krap maandinkomen hebben niets over om aan de kant te zetten. Een fiscaal voordeel helpt hen daarin geen stap verder. Zo verschoof de zorg voor het pensioen steeds meer richting het domein van de persoonlijke verantwoordelijkheid. Maar wat gebeurt er met het geld in die zorgvuldig opgebouwde spaarpotten? Wat helpt die individuele appel voor de dorst, als het geïnvesteerde geld het collectieve voortbestaan bedreigt? Hoe anders zou onze opdracht voor een fondsbeheerder klinken als we ons ten volle bewust waren van die onderlinge afhankelijkheid? Dit is geen pleidooi voor doemdenken noch voor dramatisch taalgebruik. Wel is het een uitnodiging om het moedige gesprek te voeren dat aan de orde is: een gesprek over de juiste verhoudingen in de juiste volgorde. Dat is een hachelijke onderneming, want het zal raken aan de fundamenten waar ons financiële systeem op gebouwd is. Bovendien hebben de mensen in topfuncties alle belang bij een status quo (tenminste: nog even) en velen van hen blijven daardoor hangen in de cognitieve dissonantie of de misplaatste relativering. Mijn hoop rust op de vele anderen, zowel binnen als buiten de sector, die de verandering aandurven. Met iedere bewuste klant of spaarder wordt hun momentum sterker.