Spanje, Italië en Griekenland konden hun industriële productie tot 2008 op peil houden maar verloren daarna dramatisch ...

Eigenaardig toch volgens professor Stefan Duchateau, want geen enkel van deze landen was rechtstreeks getroffen door de bankencrisis. Integendeel zelfs, de Spaanse toezichthouders klopten zich zeer nadrukkelijk op de borst en verwezen naar de effectiviteit van hun reglementering en controle.

Bij de aanvang van een muntunie neemt men de hypothese aan dat de groep van deelnemende landen voldoende homogeen is, om dergelijke divergentie tegen te gaan en - indien er zich toch indicaties zouden voordoen , dan zullen de markmechanismen er snel voor zorgen dat er terug een evenwicht ontstaat.

Hier bevindt zich echter de fundamentele redeneringfout : Stel dat er maskerende elementen optreden waardoor gedurende geruime tijd de ontaarding van de competitiviteit niet opvalt of niet relevant lijkt.

Eens die maskerende elementen wegvallen is echter het verschil dermate groot geworden dat dit onmogelijk door marktmechanismen alleen kan worden hersteld.

Competitiviteit met 18% ontaardt

In periode 2000-2012 ontaardde de competitiviteit van Spanje met liefst 18% ten opzichte van Duitsland. Overigens hierin nog vooraf gegaan door de Ierland ( de eerste steen die viel ) en Griekenland ( de tweede steen ... ).

Dit competitiviteitsverschil wordt gemeten op basis van de reële effectieve wisselkoers waarmee de relatieve kost per eenheid arbeid tussen landen kan worden berekend.

Men kan zich volgens Duchateau terecht te vraag stellen waarom een dergelijke evolutie niet eerder voor problemen heeft gezorgd.

Het antwoord is relatief eenvoudig : Wanneer er een interne groeicomponent bestaat die de binnenlandse economie zodanig stimuleert dat het verlies aan competitiviteit op de externe markten méér dan wordt compenseert, dan zullen er geen aanpassingen gebeuren aan de reële effectieve wisselkoers.

Een verlaging van de reële effectieve wisselkoers in een muntunie vereist immers een pijnlijk proces van besparingen in de overheidsuitgaven en productiviteitsverhogende maatregelen in de industrie- en dienstensector.

Maar wanneer de interne groei dermate groot is, dan lijken dergelijke besparingen compleet nutteloos- Zeker vanuit politiek perspectief. Integendeel, de economische groei laat ook de vormen van excessen in het overheidsapparaat en zinloze infrastructuurwerken toe.

Deze excessen zullen de economie echter later zuur opbreken wanneer de interne groei plots stilvalt. Zolang de domestieke economie door een krachtige groeicomponent wordt aangedreven, dan zal men het pijnlijke proces van productiviteitsverhogende maatregelen zeker vermijden.

Overheidsuitgaven en lonenstijgingen worden immers gemakkelijk gefinancierd door de binnenlandse economische groei. Erger nog, het is zelfs waarschijnlijk dat hoe groter de (tijdelijke) kracht van de interne economie is , hoe erger de (blijvende) ontaarding van de competitiviteitspositie zal zijn.

Systeem kan snel in elkaar zakken

Wanneer deze component plots tot stilstand komt , dan zakt het hele systeem echter vrij snel in elkaar. Zowel in Ierland als Spanje is deze ontwikkeling rechtstreeks in verband te brengen met de vastgoedsector. In beide landen stegen de vastgoedprijzen tegen een bijzonder hoog tempo, hetgeen van aard is om de interne economie op krachtige wijze te stimuleren via het directe welvaartseffect en meer in het bijzonder door creatie van werkgelegenheid en additioneel inkomen uit arbeid.

Spanje, Italië en Griekenland konden hun industriële productie tot 2008 op peil houden maar verloren daarna dramatisch ... Eigenaardig toch volgens professor Stefan Duchateau, want geen enkel van deze landen was rechtstreeks getroffen door de bankencrisis. Integendeel zelfs, de Spaanse toezichthouders klopten zich zeer nadrukkelijk op de borst en verwezen naar de effectiviteit van hun reglementering en controle. Bij de aanvang van een muntunie neemt men de hypothese aan dat de groep van deelnemende landen voldoende homogeen is, om dergelijke divergentie tegen te gaan en - indien er zich toch indicaties zouden voordoen , dan zullen de markmechanismen er snel voor zorgen dat er terug een evenwicht ontstaat. Hier bevindt zich echter de fundamentele redeneringfout : Stel dat er maskerende elementen optreden waardoor gedurende geruime tijd de ontaarding van de competitiviteit niet opvalt of niet relevant lijkt. Eens die maskerende elementen wegvallen is echter het verschil dermate groot geworden dat dit onmogelijk door marktmechanismen alleen kan worden hersteld. Competitiviteit met 18% ontaardt In periode 2000-2012 ontaardde de competitiviteit van Spanje met liefst 18% ten opzichte van Duitsland. Overigens hierin nog vooraf gegaan door de Ierland ( de eerste steen die viel ) en Griekenland ( de tweede steen ... ). Dit competitiviteitsverschil wordt gemeten op basis van de reële effectieve wisselkoers waarmee de relatieve kost per eenheid arbeid tussen landen kan worden berekend. Men kan zich volgens Duchateau terecht te vraag stellen waarom een dergelijke evolutie niet eerder voor problemen heeft gezorgd. Het antwoord is relatief eenvoudig : Wanneer er een interne groeicomponent bestaat die de binnenlandse economie zodanig stimuleert dat het verlies aan competitiviteit op de externe markten méér dan wordt compenseert, dan zullen er geen aanpassingen gebeuren aan de reële effectieve wisselkoers. Een verlaging van de reële effectieve wisselkoers in een muntunie vereist immers een pijnlijk proces van besparingen in de overheidsuitgaven en productiviteitsverhogende maatregelen in de industrie- en dienstensector. Maar wanneer de interne groei dermate groot is, dan lijken dergelijke besparingen compleet nutteloos- Zeker vanuit politiek perspectief. Integendeel, de economische groei laat ook de vormen van excessen in het overheidsapparaat en zinloze infrastructuurwerken toe. Deze excessen zullen de economie echter later zuur opbreken wanneer de interne groei plots stilvalt. Zolang de domestieke economie door een krachtige groeicomponent wordt aangedreven, dan zal men het pijnlijke proces van productiviteitsverhogende maatregelen zeker vermijden. Overheidsuitgaven en lonenstijgingen worden immers gemakkelijk gefinancierd door de binnenlandse economische groei. Erger nog, het is zelfs waarschijnlijk dat hoe groter de (tijdelijke) kracht van de interne economie is , hoe erger de (blijvende) ontaarding van de competitiviteitspositie zal zijn. Systeem kan snel in elkaar zakken Wanneer deze component plots tot stilstand komt , dan zakt het hele systeem echter vrij snel in elkaar. Zowel in Ierland als Spanje is deze ontwikkeling rechtstreeks in verband te brengen met de vastgoedsector. In beide landen stegen de vastgoedprijzen tegen een bijzonder hoog tempo, hetgeen van aard is om de interne economie op krachtige wijze te stimuleren via het directe welvaartseffect en meer in het bijzonder door creatie van werkgelegenheid en additioneel inkomen uit arbeid.