In hoeverre is er een gelijkenis tussen de vijf crisisjaren die de eurozone kent sinds 2008 en de eerste vijf jaren van de Japanse crisis die in 1992 startte?

De oorzaken van beide crisissen zijn volgens Belfius opvallend analoog. Een overdreven liberalisering en deregulering van de

financiële markten zorgde voor een explosie van de bankactiviteiten en een grotere risicobereidheid, wat zich onder meer vertaalde in een forse opstoot van de kredietverstrekking naar zowel particulieren (vastgoed) als ondernemingen.

De kredietgroei was meer dan het dubbele van de nominale bbp-groei omwille van de versoepelde voorwaarden (kleinere marges, langere looptijden, minder waarborgen, ...) en een stimulerend regeringsbeleid.

De reële economie profiteerde hier van en een riante conjunctuur was het resultaat.

Optimisme overheerste, de aandelenmarkten scoorden zeer goed en bereikten al dan niet historische maxima en vastgoedprijzenbubbels werden gevormd.

De directe aanleiding tot de ommekeer waren een verstrakking van de monetaire politiek en kritischer benadering van de vastgoedkredieten door de prudentiële controle organen.

Niet zo zeer de terugval van de beurzen, maar vooral het plots barsten van de vastgoedbubbel leidde volgens Belfius tot een trendbreuk.

In hoeverre is er een gelijkenis tussen de vijf crisisjaren die de eurozone kent sinds 2008 en de eerste vijf jaren van de Japanse crisis die in 1992 startte? De oorzaken van beide crisissen zijn volgens Belfius opvallend analoog. Een overdreven liberalisering en deregulering van de financiële markten zorgde voor een explosie van de bankactiviteiten en een grotere risicobereidheid, wat zich onder meer vertaalde in een forse opstoot van de kredietverstrekking naar zowel particulieren (vastgoed) als ondernemingen. De kredietgroei was meer dan het dubbele van de nominale bbp-groei omwille van de versoepelde voorwaarden (kleinere marges, langere looptijden, minder waarborgen, ...) en een stimulerend regeringsbeleid. De reële economie profiteerde hier van en een riante conjunctuur was het resultaat. Optimisme overheerste, de aandelenmarkten scoorden zeer goed en bereikten al dan niet historische maxima en vastgoedprijzenbubbels werden gevormd. De directe aanleiding tot de ommekeer waren een verstrakking van de monetaire politiek en kritischer benadering van de vastgoedkredieten door de prudentiële controle organen. Niet zo zeer de terugval van de beurzen, maar vooral het plots barsten van de vastgoedbubbel leidde volgens Belfius tot een trendbreuk.