Dit zorgde er voor dat het economische herstel bijzonder moeizaam verloopt en ook vijf jaar na de eerste tekenen van de financiële crisis nog kwetsbaar is.

In deze buitengewone economische omstandigheden zagen de belangrijkste centrale banken zich gedwongen tot buitengewone maatregelen.

Die worden volgens KBC in geen enkel economisch handboek beschreven en zijn sindsdien het voorwerp van verhitte debatten tussen beleidmakers en academici.

Geld (vrijwel) gratis...

Snel na de eerste tekenen van het begin van de financiële crisis in de VS startte de Fed in 2007 een reeks renteverlagingen die begin 2009 uitmondden in een beleidsrente tussen 0 en 25 basispunten.

Met enige vertraging, maar uiteindelijk even vastberaden verlaagden de Bank of England (BoE) en de ECB vanaf het najaar van 2008 hun beleidsrentes om begin 2009 op een rente van 0,5% respectievelijk 1% te belanden.

Vermits de Bank of Japan (BoJ) al sinds de tweede helft van de jaren 90 een quasi-nulrentebeleid voert, was dit nu het geval voor alle belangrijke centrale banken ter wereld.

... en de geldhoeveelheid als nieuw beleidsinstrument

Vermits de renteverlagingen sinds 2007 niet het verhoopte stimulerende effect hadden op de conjunctuur, startte de Fed vanaf 2008 met maatregelen die de geldhoeveelheid (in de enge zin van het woord) fors deden toenemen (de zogenoemde kwantitatieve versoepelingen).

Ook hierin werd de Fed snel gevolgd door de BoE en de ECB. Terwijl de Fed zich vooral richtte op de aankoop van obligaties op basis van hypotheekleningen en later ook op overheidsobligaties en zogenoemde "covered bonds", concentreerde de BoE zich in haar Asset Purchase Programme op de aankoop van overheidsobligaties.

De ECB verruimde de geldhoeveelheid vooral door een massale liquiditeitsinjectie in de banksector en beperkte officieel de aankoop van overheidsobligaties in het kader van haar Securities Market Programme tot gevallen waarin ze vond dat de markt

niet naar behoren functioneerde. Deze verschillende aanpakken weerspiegelden de verschillende accenten die de centrale banken wilden leggen.

Zo wilde de Fed vooral de vastgoedmarkt stabiliseren en de hypotheekrente voor de gemiddelde Amerikaan betaalbaar houden. De BoE was het om een algemene conjunctuurstimulering te doen: de obligatierente laag houden en het GBP laten verzwakken

tegenover de munt van de belangrijkste handelspartners.

De ECB ten slotte wilde de liquiditeitspositie van de aangeslagen Europese banken versterken en zo de kredietverlening aan de bedrijven, gezinnen en overheid op peil houden.

Al deze aanpakken komen echter per saldo neer op een forse stijging van de (eng gedefinieerde) geldhoeveelheid. Vermits

de BoJ al sinds de tweede helft van de jaren 90 kwantitatieve versoepelingen doorvoerde (eveneens sinds het ogenblik

dat haar beleidsrente het nulpunt naderde), bevinden zich nu alle belangrijkste centrale banken ter wereld ook wat dit betreft op dezelfde golflengte.

Dit zorgde er voor dat het economische herstel bijzonder moeizaam verloopt en ook vijf jaar na de eerste tekenen van de financiële crisis nog kwetsbaar is. In deze buitengewone economische omstandigheden zagen de belangrijkste centrale banken zich gedwongen tot buitengewone maatregelen. Die worden volgens KBC in geen enkel economisch handboek beschreven en zijn sindsdien het voorwerp van verhitte debatten tussen beleidmakers en academici.Geld (vrijwel) gratis... Snel na de eerste tekenen van het begin van de financiële crisis in de VS startte de Fed in 2007 een reeks renteverlagingen die begin 2009 uitmondden in een beleidsrente tussen 0 en 25 basispunten. Met enige vertraging, maar uiteindelijk even vastberaden verlaagden de Bank of England (BoE) en de ECB vanaf het najaar van 2008 hun beleidsrentes om begin 2009 op een rente van 0,5% respectievelijk 1% te belanden. Vermits de Bank of Japan (BoJ) al sinds de tweede helft van de jaren 90 een quasi-nulrentebeleid voert, was dit nu het geval voor alle belangrijke centrale banken ter wereld.... en de geldhoeveelheid als nieuw beleidsinstrument Vermits de renteverlagingen sinds 2007 niet het verhoopte stimulerende effect hadden op de conjunctuur, startte de Fed vanaf 2008 met maatregelen die de geldhoeveelheid (in de enge zin van het woord) fors deden toenemen (de zogenoemde kwantitatieve versoepelingen). Ook hierin werd de Fed snel gevolgd door de BoE en de ECB. Terwijl de Fed zich vooral richtte op de aankoop van obligaties op basis van hypotheekleningen en later ook op overheidsobligaties en zogenoemde "covered bonds", concentreerde de BoE zich in haar Asset Purchase Programme op de aankoop van overheidsobligaties. De ECB verruimde de geldhoeveelheid vooral door een massale liquiditeitsinjectie in de banksector en beperkte officieel de aankoop van overheidsobligaties in het kader van haar Securities Market Programme tot gevallen waarin ze vond dat de markt niet naar behoren functioneerde. Deze verschillende aanpakken weerspiegelden de verschillende accenten die de centrale banken wilden leggen. Zo wilde de Fed vooral de vastgoedmarkt stabiliseren en de hypotheekrente voor de gemiddelde Amerikaan betaalbaar houden. De BoE was het om een algemene conjunctuurstimulering te doen: de obligatierente laag houden en het GBP laten verzwakken tegenover de munt van de belangrijkste handelspartners. De ECB ten slotte wilde de liquiditeitspositie van de aangeslagen Europese banken versterken en zo de kredietverlening aan de bedrijven, gezinnen en overheid op peil houden. Al deze aanpakken komen echter per saldo neer op een forse stijging van de (eng gedefinieerde) geldhoeveelheid. Vermits de BoJ al sinds de tweede helft van de jaren 90 kwantitatieve versoepelingen doorvoerde (eveneens sinds het ogenblik dat haar beleidsrente het nulpunt naderde), bevinden zich nu alle belangrijkste centrale banken ter wereld ook wat dit betreft op dezelfde golflengte.