In de Verenigde Staten worden donderdag de inflatiecijfers voor januari bekendgemaakt. Vrijdag volgen die voor Duitsland, de grootste Europese economie. De verwachting is dat die cijfers de trend van de voorgaande records voortzetten. Het inflatiedebat is nog niet ten einde.

In dat debat klinken veel verschillende stemmen. Sommige slaan al de hyperinflatietrom sinds de centrale banken na de grote financiële crisis hun geldbeleid hebben versoepeld. Na meer dan tien jaar paniekzaaierij zien ze nu eindelijk hun gelijk, terwijl dat 'gelijk' meer weg heeft van 'geduld' dan iets anders.

Daarnaast zijn er de gematigden, die lang dachten dat de inflatie die we sinds midden vorig jaar zien wel zou overwaaien. Zij halen nu bakzeil en pleiten ook voor renteverhogingen. Anderen blijven ervan overtuigd dat de inflatie niet veel langer de huidige niveaus zal aanhouden.

Een goede belegger is een goede scenarist

Blijkbaar geldt voor marktanalisten en -strategen hetzelfde als voor economen: zet er drie bij elkaar en je krijgt vier meningen. Daar schiet je als belegger niets mee op. Het drukt je alleen nog eens met de neus op het feit dat het belangrijk is dat je je eigen analyse maakt en daar je portefeuille aan aanpast.

Het helpt met scenario's te werken. JP Morgan schuift rond dat inflatievraagstuk bijvoorbeeld drie scenario's naar voren. In het eerste blijft de inflatie hoger dan verwacht, waardoor de centrale banken hun beleid verkrappen, maar de economische groei vertraagt. Dat zou tot een algemene correctie op de beurzen leiden.

Een tweede optie is dat de economische groei voortduurt, maar de inflatie hoger blijft dan de doelstelling van 2 procent. Dan zullen de aandelen het hoogstwaarschijnlijk goed doen, als de bedrijfswinsten de economische groei volgen. Op de aandelenmarkten zullen de cyclische waardeaandelen het beter doen dan de groeiaandelen.

In het derde scenario blijft de economische groei op peil en daalt de inflatie sneller dan verwacht. Dan zullen we op de beurzen het omgekeerde zien van de laatste maand met algemeen stijgende koersen, vooral die van de groeiaandelen.

Risicopremie stelt gerust

De inflatiepaniek terzijde, het wordt de komende maanden uitkijken naar die mogelijke groeivertraging. Let wel, het gaat om een vertraging van de economische groei, die de afgelopen kwartalen bovengemiddeld sterk was. We zitten nog altijd in een expansie, maar er zijn almaar meer tekenen dat die vertraagt. De winstmarges van de S&P500-bedrijven lagen in het vierde kwartaal van 2021 lager dan in de twee kwartalen daarvoor. De wereldwijde index van aankoopmanagers (Global PMI) duidt ook op een vertraging.

De milde beurscorrectie van de afgelopen maand kan de verwachting wekken dat de rest van het jaar geen vetpot wordt, maar de meeste analisten verwachten een gemiddeld beursjaar. Ze verwachten dat de bedrijven blijven profiteren van de expansie. Ter bijkomende relativering: de terugval van 5 tot 10 procent van januari volgt op een 18 maanden durende hausse van tientallen procenten.

Die hausse doen sommigen ook al jaren zeggen dat een zware correctie of crash nakende is. Op de financiële markten, die je toch zou kunnen zien als het collectieve brein van duizenden analisten en beleggers, loeit evenwel nog geen crashalarm. Dat blijkt toch uit de cijfers van Aswath Damodaran, professor aandelenanalyse aan de Stern University New York. Aan het begin van elk jaar doet Damodaran een omvangrijke dataoefening waarmee hij de staat van de beurzen opmaakt.

Daarin bekijkt hij onder meer de risicopremie op aandelen. Die premie geeft het rendement aan dat de beleggers verwachten voor het risico dat ze nemen wanneer ze beleggen in aandelen, boven op het rendement dat ze zouden krijgen door in risicoloze staatsobligaties te stappen. De risicopremie voor de S&P500 stond begin dit jaar op 4,24 procent. Tel daar de 1,9 procent rendement op een tienjarige Amerikaanse staatsobligatie bij op, en je krijgt een verwacht rendement op aandelen van om en bij 6 procent voor 2022.

De risicopremie zit op zijn historisch gemiddelde, en wijst dus niet op een extreme overwaardering noch op een risico van een grote crash. Wanneer de risicopremie daalt, is het oppassen geblazen voor ernstige correcties. Met een lage risicopremie geven de beleggers de boodschap niet veel risico in aandelen te zien, en daar ook geen extra rendement voor te verwachten. Dan weet je dat de aandelenmarkt op zijn piek zit. Zo daalde vlak voor de dotcom-crash de risicopremie op de S&P500 naar 2 procent. Daar zitten we vandaag niet.

In de Verenigde Staten worden donderdag de inflatiecijfers voor januari bekendgemaakt. Vrijdag volgen die voor Duitsland, de grootste Europese economie. De verwachting is dat die cijfers de trend van de voorgaande records voortzetten. Het inflatiedebat is nog niet ten einde.In dat debat klinken veel verschillende stemmen. Sommige slaan al de hyperinflatietrom sinds de centrale banken na de grote financiële crisis hun geldbeleid hebben versoepeld. Na meer dan tien jaar paniekzaaierij zien ze nu eindelijk hun gelijk, terwijl dat 'gelijk' meer weg heeft van 'geduld' dan iets anders.Daarnaast zijn er de gematigden, die lang dachten dat de inflatie die we sinds midden vorig jaar zien wel zou overwaaien. Zij halen nu bakzeil en pleiten ook voor renteverhogingen. Anderen blijven ervan overtuigd dat de inflatie niet veel langer de huidige niveaus zal aanhouden.Blijkbaar geldt voor marktanalisten en -strategen hetzelfde als voor economen: zet er drie bij elkaar en je krijgt vier meningen. Daar schiet je als belegger niets mee op. Het drukt je alleen nog eens met de neus op het feit dat het belangrijk is dat je je eigen analyse maakt en daar je portefeuille aan aanpast.Het helpt met scenario's te werken. JP Morgan schuift rond dat inflatievraagstuk bijvoorbeeld drie scenario's naar voren. In het eerste blijft de inflatie hoger dan verwacht, waardoor de centrale banken hun beleid verkrappen, maar de economische groei vertraagt. Dat zou tot een algemene correctie op de beurzen leiden.Een tweede optie is dat de economische groei voortduurt, maar de inflatie hoger blijft dan de doelstelling van 2 procent. Dan zullen de aandelen het hoogstwaarschijnlijk goed doen, als de bedrijfswinsten de economische groei volgen. Op de aandelenmarkten zullen de cyclische waardeaandelen het beter doen dan de groeiaandelen.In het derde scenario blijft de economische groei op peil en daalt de inflatie sneller dan verwacht. Dan zullen we op de beurzen het omgekeerde zien van de laatste maand met algemeen stijgende koersen, vooral die van de groeiaandelen.De inflatiepaniek terzijde, het wordt de komende maanden uitkijken naar die mogelijke groeivertraging. Let wel, het gaat om een vertraging van de economische groei, die de afgelopen kwartalen bovengemiddeld sterk was. We zitten nog altijd in een expansie, maar er zijn almaar meer tekenen dat die vertraagt. De winstmarges van de S&P500-bedrijven lagen in het vierde kwartaal van 2021 lager dan in de twee kwartalen daarvoor. De wereldwijde index van aankoopmanagers (Global PMI) duidt ook op een vertraging.De milde beurscorrectie van de afgelopen maand kan de verwachting wekken dat de rest van het jaar geen vetpot wordt, maar de meeste analisten verwachten een gemiddeld beursjaar. Ze verwachten dat de bedrijven blijven profiteren van de expansie. Ter bijkomende relativering: de terugval van 5 tot 10 procent van januari volgt op een 18 maanden durende hausse van tientallen procenten.Die hausse doen sommigen ook al jaren zeggen dat een zware correctie of crash nakende is. Op de financiële markten, die je toch zou kunnen zien als het collectieve brein van duizenden analisten en beleggers, loeit evenwel nog geen crashalarm. Dat blijkt toch uit de cijfers van Aswath Damodaran, professor aandelenanalyse aan de Stern University New York. Aan het begin van elk jaar doet Damodaran een omvangrijke dataoefening waarmee hij de staat van de beurzen opmaakt.Daarin bekijkt hij onder meer de risicopremie op aandelen. Die premie geeft het rendement aan dat de beleggers verwachten voor het risico dat ze nemen wanneer ze beleggen in aandelen, boven op het rendement dat ze zouden krijgen door in risicoloze staatsobligaties te stappen. De risicopremie voor de S&P500 stond begin dit jaar op 4,24 procent. Tel daar de 1,9 procent rendement op een tienjarige Amerikaanse staatsobligatie bij op, en je krijgt een verwacht rendement op aandelen van om en bij 6 procent voor 2022.De risicopremie zit op zijn historisch gemiddelde, en wijst dus niet op een extreme overwaardering noch op een risico van een grote crash. Wanneer de risicopremie daalt, is het oppassen geblazen voor ernstige correcties. Met een lage risicopremie geven de beleggers de boodschap niet veel risico in aandelen te zien, en daar ook geen extra rendement voor te verwachten. Dan weet je dat de aandelenmarkt op zijn piek zit. Zo daalde vlak voor de dotcom-crash de risicopremie op de S&P500 naar 2 procent. Daar zitten we vandaag niet.