Eerst stellen we vast dat de monetairebeleidsmakers, en op de eerste plaats Fed-voorzitter Bernanke, hun lessen uit de Grote Depressie van jaren 30 hebben geleerd.

Dat destijds de beurscrash samen met de recessie kon uitgroeien tot een Grote Depressie, was volgens KBC in belangrijke mate te wijten aan de foute beleidsreactie.

Zowel het begrotings- als het monenaire beleid werkten restrictief. Zo daalde bijvoorbeeld in 1932 de geldhoeveelheid in de VS met bijna 20%, wat de neerwaartse deflatoire spiraal fors versnelde. In 2010 was het bijna opnieuw zover.

De jaarstijging van de Amerikaanse geldhoeveelheid naderde pijlsnel het nulpunt. Enkel de tweede ronde van kwantitatieve versoepelingen (de zogenoemde "QE2") kon de deflatiedreiging een halt toeroepen.

Monetair systeem is totaal anders

Het toenmalige monetaire systeem, dat aan het begin van de crisis nog op een goudstandaard berustte, is weliswaar niet helemaal te vergelijken met het huidige systeem van fiatgeld.

De fundamentele reden voor de huidige deflatoire dreiging is echter dezelfde: door de zwakke groei van de kredietverlening vertaalt de huidige enorme groei van het zogenoemde "basisgeld" (cash en vooral reserves van banken bij hun centrale bank) zich niet in een voldoende groei van de (ruime) geldhoeveelheid in de reële economie.

Dit zal volgens KBC zo blijven zolang de banksector, vooral in Europa, een kwetsbare liquiditeits- en kapitaalpositie heeft. Bijgevolg zal de huidige extreem soepele beleidsmix noodzakelijk blijven tot de financiële gezondheid van de banksector is hersteld. Dit zal allicht een werk van lange adem zijn.

Deze vaststellingen beantwoorden meteen ook een hevig bediscussieerde vraag. Zolang de kredietverlening en dus de geldhoeveelheid in de reële economie aan dit ondermaatse tempo blijven groeien, leidt het huidige soepele monetaire beleid niet tot een hogere inflatie.

Wanneer de banksector echter weer financieel gezond wordt (en ooit zal dat gebeuren), versnelt ook de groei van de kredietverlening opnieuw en dus ook die van de ruime geldhoeveelheid.

Dan komt het voor de centrale banken erop aan hun sterk stimulerend beleid op tijd te keren door voldoende basisgeld te vernietigen.

Vermits het monetaire beleid echter met een ruime vertraging de reële economie beïnvloedt, zal dit allicht niet volledig lukken. Enkele jaren met hogere inflatie, maar geen hyperinflatie, zullen hiervan het gevolg zijn.

Eerst stellen we vast dat de monetairebeleidsmakers, en op de eerste plaats Fed-voorzitter Bernanke, hun lessen uit de Grote Depressie van jaren 30 hebben geleerd. Dat destijds de beurscrash samen met de recessie kon uitgroeien tot een Grote Depressie, was volgens KBC in belangrijke mate te wijten aan de foute beleidsreactie. Zowel het begrotings- als het monenaire beleid werkten restrictief. Zo daalde bijvoorbeeld in 1932 de geldhoeveelheid in de VS met bijna 20%, wat de neerwaartse deflatoire spiraal fors versnelde. In 2010 was het bijna opnieuw zover. De jaarstijging van de Amerikaanse geldhoeveelheid naderde pijlsnel het nulpunt. Enkel de tweede ronde van kwantitatieve versoepelingen (de zogenoemde "QE2") kon de deflatiedreiging een halt toeroepen.Monetair systeem is totaal anders Het toenmalige monetaire systeem, dat aan het begin van de crisis nog op een goudstandaard berustte, is weliswaar niet helemaal te vergelijken met het huidige systeem van fiatgeld. De fundamentele reden voor de huidige deflatoire dreiging is echter dezelfde: door de zwakke groei van de kredietverlening vertaalt de huidige enorme groei van het zogenoemde "basisgeld" (cash en vooral reserves van banken bij hun centrale bank) zich niet in een voldoende groei van de (ruime) geldhoeveelheid in de reële economie. Dit zal volgens KBC zo blijven zolang de banksector, vooral in Europa, een kwetsbare liquiditeits- en kapitaalpositie heeft. Bijgevolg zal de huidige extreem soepele beleidsmix noodzakelijk blijven tot de financiële gezondheid van de banksector is hersteld. Dit zal allicht een werk van lange adem zijn. Deze vaststellingen beantwoorden meteen ook een hevig bediscussieerde vraag. Zolang de kredietverlening en dus de geldhoeveelheid in de reële economie aan dit ondermaatse tempo blijven groeien, leidt het huidige soepele monetaire beleid niet tot een hogere inflatie. Wanneer de banksector echter weer financieel gezond wordt (en ooit zal dat gebeuren), versnelt ook de groei van de kredietverlening opnieuw en dus ook die van de ruime geldhoeveelheid. Dan komt het voor de centrale banken erop aan hun sterk stimulerend beleid op tijd te keren door voldoende basisgeld te vernietigen. Vermits het monetaire beleid echter met een ruime vertraging de reële economie beïnvloedt, zal dit allicht niet volledig lukken. Enkele jaren met hogere inflatie, maar geen hyperinflatie, zullen hiervan het gevolg zijn.