Duurzaam beleggen kende de voorbije jaren een enorme groei. Alleen al in 2020 groeide het vermogen van duurzame fondsen volgens gegevens van onderzoeksbureau Morningstar met 52 procent tot 1100 miljard euro. Nog volgens Morningstar kwamen er vorig jaar zo'n 505 nieuwe ESG-fondsen bij. 253 bestaande fondsen maakten dan weer de switch naar een duurzame beleggingsstrategie.

De Europese Unie speelt in op deze evolutie en lanceerde op 10 maart 2021, de SFDR (Sustainable Finance Disclosure Regulation). Deze regelgeving verplicht professionele financiële investeerders zoals beleggingsfondsen, banken en verzekeringsmaatschappijen om duidelijk te communiceren over de mate waarin ze duurzaam beleggen. Hiermee wil Europa vooral de kleine beleggers de mogelijkheid bieden om de duurzaamheid van een financieel product beter in te schatten.

Nieuwe Europese regulering voor duurzaam beleggen heeft betere data nodig.

Op zich is elk initiatief dat bijdraagt aan een verhoogde transparantie lovenswaardig, maar in dit geval lijkt Europa iets te snel te willen gaan. Zo blijkt een cruciaal onderdeel, betrouwbare ESG-data ('Environmental', 'Social', en 'Governance'), voor veel bedrijven nog te ontbreken. Nieuwe wetgeving die ondernemingen verplicht om te communiceren over de duurzaamheid van hun activiteiten, gaat pas ten vroegste vanaf 1 januari 2022 in.

Bovendien zien we nog drie problemen met de huidige ESG- dataverzameling. Een eerste probleem met de ESG-data zit bij de rapportering door bedrijven. Je kan als bedrijf wel een duurzaam bedrijfsmodel hebben, maar zolang het niet officieel gerapporteerd wordt, zal je niet snel opgepikt worden door professionele beleggers zoals duurzame fondsen of indexen. Die laten zich vaak leiden door data aangeleverd door 'sustainable rating agencies'. Voor vele kleine bedrijven wegen de kosten om te rapporteren nog onvoldoende op tegen de voordelen. De huidige data worden dus vooral gevormd door info over grote ondernemingen, alsof er een verband zou bestaan tussen bedrijfsgrootte en duurzaamheid. Daarnaast is het voor eender welk bedrijf niet altijd eenvoudig om correct te rapporteren. Een bedrijf werkt vaak samen met allerlei toeleveranciers in de productie. Om een correct beeld te hebben van bijvoorbeeld de CO2-uitstoot zou men dus niet enkel mogen kijken naar de uitstoot van de eindproductie, maar ook naar die van de toeleveranciers. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor zaken zoals kinderarbeid of gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Door ontbrekende data en het feit dat de berekening van de ESG-score nog niet uniform verloopt, is het voor beleggers aangewezen om steeds zelf voldoende kritisch te zijn.

Het tweede probleem zijn de ESG-scores gebaseerd op de aangeleverde data door bedrijven. Recent academisch onderzoek dat de duurzaamheidsratings van bedrijven bij zes prominente rating agentschappen natrok, kwam tot de conclusie dat de correlatie van de ratings van de verschillende bedrijven gemiddeld maar 0,54 bedraagt. Voor klassieke ratings is dat vaak 0,99. Dat komt in de eerste plaats omdat bepaalde duurzaamheidscriteria door andere indicatoren gemeten worden. Gendergelijkheid zou je bijvoorbeeld kunnen meten door de loonkloof tussen mannen en vrouwen of door het percentage vrouwen in de raad van bestuur. Daarnaast zijn ook de duurzaamheidscriteria opgenomen de ESG-score niet altijd dezelfde bij de verschillende agentschappen. Zo zullen de meeste beoordelaars rekening houden met de uitstoot van broeikasgassen bij de evaluatie van de milieu-inspanningen, terwijl slechts enkelen de elektromagnetische straling opnemen. Op zich kan een verschil in visie bijdragen tot een debat, maar als men beleggers wil informeren over de duurzaamheid van een belegging moet dat gebaseerd zijn op eenduidige criteria. In de huidige situatie riskeren we 'ratingshopping' door verkopers van duurzame beleggingsproducten.

Een derde probleem zit in de betrouwbaarheid van de ESG-scores voor duurzaamheid in de ruime betekenis. Duurzaamheid wordt al te vaak gereduceerd tot milieubewustzijn, oftewel de 'E' van ESG. Meestal krijgt het sociale (de 'S') en het bestuur (de 'G') minder aandacht. In eerste instantie heeft dat te maken met het feit dat de milieucomponent het makkelijkst te meten is en hierover de meeste data beschikbaar zijn. De komende jaren moet ook ingezet worden op een verbetering van de meetbaarheid van de andere twee dimensies.

Door ontbrekende data en het feit dat de berekening van de ESG-score nog niet uniform verloopt, is het voor beleggers aangewezen om steeds zelf voldoende kritisch te zijn. Belangrijk is dat men zich niet blind staart op labels, maar duurzaamheid verruimt. Europa heeft dan weer de verantwoordelijkheid om erover te waken dat regelgeving onderbouwd wordt door voldoende betrouwbare data.

Duurzaam beleggen kende de voorbije jaren een enorme groei. Alleen al in 2020 groeide het vermogen van duurzame fondsen volgens gegevens van onderzoeksbureau Morningstar met 52 procent tot 1100 miljard euro. Nog volgens Morningstar kwamen er vorig jaar zo'n 505 nieuwe ESG-fondsen bij. 253 bestaande fondsen maakten dan weer de switch naar een duurzame beleggingsstrategie.De Europese Unie speelt in op deze evolutie en lanceerde op 10 maart 2021, de SFDR (Sustainable Finance Disclosure Regulation). Deze regelgeving verplicht professionele financiële investeerders zoals beleggingsfondsen, banken en verzekeringsmaatschappijen om duidelijk te communiceren over de mate waarin ze duurzaam beleggen. Hiermee wil Europa vooral de kleine beleggers de mogelijkheid bieden om de duurzaamheid van een financieel product beter in te schatten. Op zich is elk initiatief dat bijdraagt aan een verhoogde transparantie lovenswaardig, maar in dit geval lijkt Europa iets te snel te willen gaan. Zo blijkt een cruciaal onderdeel, betrouwbare ESG-data ('Environmental', 'Social', en 'Governance'), voor veel bedrijven nog te ontbreken. Nieuwe wetgeving die ondernemingen verplicht om te communiceren over de duurzaamheid van hun activiteiten, gaat pas ten vroegste vanaf 1 januari 2022 in.Bovendien zien we nog drie problemen met de huidige ESG- dataverzameling. Een eerste probleem met de ESG-data zit bij de rapportering door bedrijven. Je kan als bedrijf wel een duurzaam bedrijfsmodel hebben, maar zolang het niet officieel gerapporteerd wordt, zal je niet snel opgepikt worden door professionele beleggers zoals duurzame fondsen of indexen. Die laten zich vaak leiden door data aangeleverd door 'sustainable rating agencies'. Voor vele kleine bedrijven wegen de kosten om te rapporteren nog onvoldoende op tegen de voordelen. De huidige data worden dus vooral gevormd door info over grote ondernemingen, alsof er een verband zou bestaan tussen bedrijfsgrootte en duurzaamheid. Daarnaast is het voor eender welk bedrijf niet altijd eenvoudig om correct te rapporteren. Een bedrijf werkt vaak samen met allerlei toeleveranciers in de productie. Om een correct beeld te hebben van bijvoorbeeld de CO2-uitstoot zou men dus niet enkel mogen kijken naar de uitstoot van de eindproductie, maar ook naar die van de toeleveranciers. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor zaken zoals kinderarbeid of gelijkheid tussen mannen en vrouwen.Het tweede probleem zijn de ESG-scores gebaseerd op de aangeleverde data door bedrijven. Recent academisch onderzoek dat de duurzaamheidsratings van bedrijven bij zes prominente rating agentschappen natrok, kwam tot de conclusie dat de correlatie van de ratings van de verschillende bedrijven gemiddeld maar 0,54 bedraagt. Voor klassieke ratings is dat vaak 0,99. Dat komt in de eerste plaats omdat bepaalde duurzaamheidscriteria door andere indicatoren gemeten worden. Gendergelijkheid zou je bijvoorbeeld kunnen meten door de loonkloof tussen mannen en vrouwen of door het percentage vrouwen in de raad van bestuur. Daarnaast zijn ook de duurzaamheidscriteria opgenomen de ESG-score niet altijd dezelfde bij de verschillende agentschappen. Zo zullen de meeste beoordelaars rekening houden met de uitstoot van broeikasgassen bij de evaluatie van de milieu-inspanningen, terwijl slechts enkelen de elektromagnetische straling opnemen. Op zich kan een verschil in visie bijdragen tot een debat, maar als men beleggers wil informeren over de duurzaamheid van een belegging moet dat gebaseerd zijn op eenduidige criteria. In de huidige situatie riskeren we 'ratingshopping' door verkopers van duurzame beleggingsproducten.Een derde probleem zit in de betrouwbaarheid van de ESG-scores voor duurzaamheid in de ruime betekenis. Duurzaamheid wordt al te vaak gereduceerd tot milieubewustzijn, oftewel de 'E' van ESG. Meestal krijgt het sociale (de 'S') en het bestuur (de 'G') minder aandacht. In eerste instantie heeft dat te maken met het feit dat de milieucomponent het makkelijkst te meten is en hierover de meeste data beschikbaar zijn. De komende jaren moet ook ingezet worden op een verbetering van de meetbaarheid van de andere twee dimensies.Door ontbrekende data en het feit dat de berekening van de ESG-score nog niet uniform verloopt, is het voor beleggers aangewezen om steeds zelf voldoende kritisch te zijn. Belangrijk is dat men zich niet blind staart op labels, maar duurzaamheid verruimt. Europa heeft dan weer de verantwoordelijkheid om erover te waken dat regelgeving onderbouwd wordt door voldoende betrouwbare data.