De vergrijzingskosten lopen geleidelijk op, er staat op dat vlak geen acuut crisismoment op de agenda. Dat laat nog ruimte om de nodige maatregelen geleidelijk in te voeren, maar beperkt anderzijds de politieke druk om die maatregelen te nemen.

In elk geval is het een illusie om te hopen dat een hogere economische groei nadat we uit de huidige crisissfeer geraken de

problemen zal oplossen.

Het groeipotentieel voor de eurozone in de komende decennia wordt geraamd op zo'n 1%. België zal het zo goed als zeker niet beter doen.

Tegen die achtergrond zullen de vergrijzingskosten onvermijdelijk aangepakt moeten worden.

Simulaties van de ontwikkeling van de overheidsfinanciën illustreren de omvang van de opgave.

Uitgaande van een economische groei van 3% (1% reële groei met 2% inflatie) en een rente op Belgisch schuldpapier die binnen de perken blijft (4% op langere termijn), kan de regering de overheidsschuld tegen 2030 terugbrengen tot 60% van het BBP en tegelijkertijd de vergrijzingskosten opvangen (zoals geraamd door de Studiecommissie voor de vergrijzing) met een jaarlijkse extra saneringsoefening van 0,6% van het BBP van 2015 tot 2030.

Dat impliceert dat de regering in die periode elk jaar een bijkomende 2,4 mrd in euro's van vandaag aan recurrente maatregelen moet nemen.

Dat is overigens een minimum, als de vergrijzingskosten eerder in de buurt van de EC-raming uitkomen, zal de inspanning zwaarder zijn.

Bovendien zijn met die inspanning enkel de

vergrijzingsuitgaven gedekt, daarmee is nog geen enkele ruimte voor echt beleid (bv. om het groeipotentieel op te krikken).

De moeilijke begrotingsdiscussies van de jongste jaren zouden duidelijk moeten maken dat zo'n jarenlange volgehouden inspanning niet makkelijk zal worden.

Een jaarlijks terugkerende oefening van gepuzzel met uitgavenposten en gepruts in de marge zal niet volstaan.

De vergrijzingskosten lopen geleidelijk op, er staat op dat vlak geen acuut crisismoment op de agenda. Dat laat nog ruimte om de nodige maatregelen geleidelijk in te voeren, maar beperkt anderzijds de politieke druk om die maatregelen te nemen. In elk geval is het een illusie om te hopen dat een hogere economische groei nadat we uit de huidige crisissfeer geraken de problemen zal oplossen. Het groeipotentieel voor de eurozone in de komende decennia wordt geraamd op zo'n 1%. België zal het zo goed als zeker niet beter doen. Tegen die achtergrond zullen de vergrijzingskosten onvermijdelijk aangepakt moeten worden. Simulaties van de ontwikkeling van de overheidsfinanciën illustreren de omvang van de opgave. Uitgaande van een economische groei van 3% (1% reële groei met 2% inflatie) en een rente op Belgisch schuldpapier die binnen de perken blijft (4% op langere termijn), kan de regering de overheidsschuld tegen 2030 terugbrengen tot 60% van het BBP en tegelijkertijd de vergrijzingskosten opvangen (zoals geraamd door de Studiecommissie voor de vergrijzing) met een jaarlijkse extra saneringsoefening van 0,6% van het BBP van 2015 tot 2030. Dat impliceert dat de regering in die periode elk jaar een bijkomende 2,4 mrd in euro's van vandaag aan recurrente maatregelen moet nemen. Dat is overigens een minimum, als de vergrijzingskosten eerder in de buurt van de EC-raming uitkomen, zal de inspanning zwaarder zijn. Bovendien zijn met die inspanning enkel de vergrijzingsuitgaven gedekt, daarmee is nog geen enkele ruimte voor echt beleid (bv. om het groeipotentieel op te krikken). De moeilijke begrotingsdiscussies van de jongste jaren zouden duidelijk moeten maken dat zo'n jarenlange volgehouden inspanning niet makkelijk zal worden. Een jaarlijks terugkerende oefening van gepuzzel met uitgavenposten en gepruts in de marge zal niet volstaan.