Wie een fonds (bevek) koopt, heeft vaak de keuze tussen een zogenaamd distributiefonds mét coupon of een kapitalisatiefonds zonder coupon. Wie graag jaarlijks een coupon heeft, zal bijna automatisch kiezen voor een distributiefonds, terwijl wie op lange termijn belegt, vaak kiest voor een kapitalisatiefonds. Maar wat kies je het best rekening houdend met het fiscaal plaatje?

Taks bij uitstap

Distributiefondsen lijken op het eerste zicht misschien fiscaal aantrekkelijker dan kapitalisatiefondsen. Op kapitalisatiefondsen betaal je immers 1,32% beurstaks bij verkoop, wat niet het geval is bij zijn broertje mét coupon.

Roerende voorheffing

De roerende voorheffing voor fondsen bedraagt 25% (op de coupon en in bepaalde gevallen op de meerwaarde). Je betaalt 25% RV op de uitgekeerde coupons van je bevek en ook op een deel van de meerwaarde bij verkoop van een bevek die voor minstens 25% belegt in schuldvorderingen (cash, obligaties).

Concreet betekent dit dat voor obligatiefondsen de gerealiseerde meerwaarde bijna volledig belast worden. Bij aandelenfondsen daarentegen is de meerwaarde niet belastbaar. Bij gemengde fondsen is de meerwaarde dan weer belastbaar volgens het percentage schuldvorderingen (bijvoorbeeld obligaties) in portefeuille.

Wat kies je best?

Wat obligatiefondsen betreft, kies je dus best voor de distributievariant (geen beurstaks bij uitstap). Voor aandelenfondsen is de kapitalisatieversie veel aantrekkelijker (helemaal geen RV). En bij gemengde fondsen (obligaties en aandelen)? Daar geldt volgend vuistregeltje: hoe hoger de uitgekeerde coupon, hoe fiscaal interessanter de kapitalisatiedeelbewijzen. Aangezien gemengde fondsen meestal gekocht worden voor een eerder lange termijn, is fiscaal gezien de kapitalisatieversie te verkiezen. Enkel indien je elk jaar een coupon wenst, kiest je het best voor een distributieversie.