Enerzijds zijn er nu opmerkelijke gelijkenissen met de Japanse situatie in de jaren 90. Zowel toen als nu is de financiële crisis het gevolg van een uiteenspatten van een zeepbel, die via het veroorzaken van "slechte" kredieten de balansen van de financiële sector belasten.

In het geval van de EMU komt hier bovenop nog de problematiek van de overheidsschulden die hun status als risicovrije belegging hebben verloren.

De afschrijving van al deze minwaarden tast de kapitaalbasis van de banken aan. De afbouw van risicovolle activiteiten, waaronder kredietverlening, draagt bij om opnieuw aan de (risicogewogen) kapitaalvoorwaarden te voldoen (de zogenoemde "deleveraging").

Groei van geldhoeveelheid zal laag blijven

Vermits de girale geldhoeveelheid in een economie door kredietverlening van de banken wordt gecreëerd, zal de groei van die geldhoeveelheid laag blijven en zal er een structurele deflatoire druk zijn gepaard met een lage groei, zolang dit proces van financiële gezondmaking niet is voltooid.

Het feit dat de betrokken centrale banken ondertussen een ongezien stimulerend monetair beleid voeren, verandert niets aan dit mechanisme.

Het komt er dus op aan de financiële gezondmaking van de banksector zo veel mogelijk te versnellen. Europa, de VS en het Japan van de jaren 90 verschillen hierbij alle drie in hun aanpak en wat de bereikte resultaten betreft.

Na de crash van de Japanse vastgoed- en aandelenmarkt in het begin van de jaren 90 beslisten de Japanse banken hun slechte kredietportefeuille volledig te negeren.

Om verliezen niet te moeten boeken werden problematische kredieten altijd opnieuw verlengd (de zogenoemde "zombiekredieten").

Hierbij werden de banken geholpen door het monetair beleid van nulrente. Op het ogenblik dat de financiële sector de problemen onder ogen begon te zien, was volgens KBC bijna de helft van het verloren decennium al een feit.

Enerzijds zijn er nu opmerkelijke gelijkenissen met de Japanse situatie in de jaren 90. Zowel toen als nu is de financiële crisis het gevolg van een uiteenspatten van een zeepbel, die via het veroorzaken van "slechte" kredieten de balansen van de financiële sector belasten. In het geval van de EMU komt hier bovenop nog de problematiek van de overheidsschulden die hun status als risicovrije belegging hebben verloren. De afschrijving van al deze minwaarden tast de kapitaalbasis van de banken aan. De afbouw van risicovolle activiteiten, waaronder kredietverlening, draagt bij om opnieuw aan de (risicogewogen) kapitaalvoorwaarden te voldoen (de zogenoemde "deleveraging"). Groei van geldhoeveelheid zal laag blijven Vermits de girale geldhoeveelheid in een economie door kredietverlening van de banken wordt gecreëerd, zal de groei van die geldhoeveelheid laag blijven en zal er een structurele deflatoire druk zijn gepaard met een lage groei, zolang dit proces van financiële gezondmaking niet is voltooid. Het feit dat de betrokken centrale banken ondertussen een ongezien stimulerend monetair beleid voeren, verandert niets aan dit mechanisme. Het komt er dus op aan de financiële gezondmaking van de banksector zo veel mogelijk te versnellen. Europa, de VS en het Japan van de jaren 90 verschillen hierbij alle drie in hun aanpak en wat de bereikte resultaten betreft. Na de crash van de Japanse vastgoed- en aandelenmarkt in het begin van de jaren 90 beslisten de Japanse banken hun slechte kredietportefeuille volledig te negeren. Om verliezen niet te moeten boeken werden problematische kredieten altijd opnieuw verlengd (de zogenoemde "zombiekredieten"). Hierbij werden de banken geholpen door het monetair beleid van nulrente. Op het ogenblik dat de financiële sector de problemen onder ogen begon te zien, was volgens KBC bijna de helft van het verloren decennium al een feit.