Kan de opkomende wereld een groeiherstel bewerkstelligen zonder excessieve kapitaalinstroom vanuit de ontwikkelde markten en zonder zeer sterke Chinese importgroei?

Is er genoeg dynamiek in de private sector om investeringen en consumptie langdurig op een hoog niveau te houden. Is de economie voldoende in evenwicht om rentes langdurig laag te houden en valuta stabiel?

In de gouden jaren tussen 2002 en 2010 liep het groeiverschil tussen opkomende en ontwikkelde markten op tot maar liefst 7 procentpunten en was het rendement in opkomende aandelenmarkten vier maal hoger dan in de VS en Europa. In de eerste jaren na 2002 profiteerden de meeste opkomende markten enorm van hervormingen die doorgevoerd waren na en tijdens de crises in de tweede helft van de jaren 1990.

Groei nam toe omdat onevenwichtigheden waren weggewerkt, rentes konden dalen, productiviteit en concurrentiekracht bleven stijgen.

Maar al snel kwam de klad in de structurele verbeteringen. Landen raakten gewend aan de grote instroom van buitenlands kapitaal en alsmaar stijgende vraag uit China.

Valuta werden veel sterker, wat de inflatie laag hield en de rente verder deed dalen. Er was niet langer druk op de ketel om te hervormen.

Economisch beleid begon duidelijk te verslechteren vanaf 2005. De liberaliseringstrend in de economie stopte, hervormingen werden uitgesteld, staatsbemoeienis nam toe. Begrotingstekorten stegen weer en lopende rekeningen verslechterden snel.

Kan de opkomende wereld een groeiherstel bewerkstelligen zonder excessieve kapitaalinstroom vanuit de ontwikkelde markten en zonder zeer sterke Chinese importgroei? Is er genoeg dynamiek in de private sector om investeringen en consumptie langdurig op een hoog niveau te houden. Is de economie voldoende in evenwicht om rentes langdurig laag te houden en valuta stabiel? In de gouden jaren tussen 2002 en 2010 liep het groeiverschil tussen opkomende en ontwikkelde markten op tot maar liefst 7 procentpunten en was het rendement in opkomende aandelenmarkten vier maal hoger dan in de VS en Europa. In de eerste jaren na 2002 profiteerden de meeste opkomende markten enorm van hervormingen die doorgevoerd waren na en tijdens de crises in de tweede helft van de jaren 1990. Groei nam toe omdat onevenwichtigheden waren weggewerkt, rentes konden dalen, productiviteit en concurrentiekracht bleven stijgen. Maar al snel kwam de klad in de structurele verbeteringen. Landen raakten gewend aan de grote instroom van buitenlands kapitaal en alsmaar stijgende vraag uit China. Valuta werden veel sterker, wat de inflatie laag hield en de rente verder deed dalen. Er was niet langer druk op de ketel om te hervormen. Economisch beleid begon duidelijk te verslechteren vanaf 2005. De liberaliseringstrend in de economie stopte, hervormingen werden uitgesteld, staatsbemoeienis nam toe. Begrotingstekorten stegen weer en lopende rekeningen verslechterden snel.