Oldtimers zijn in. Kijk maar naar het grote aantal televisieprogramma's daarover op zenders zoals Discovery Channel en National Geographic. Die gaan vooral over auto's. Meestal gaat het dan niet enkel over het verzamelen of het bezitten van zulke voertuigen, maar ook over de verkoop, al dan niet na een verregaande restauratie. Bij veilinghuizen zoals Bonham's gaan die bolides voor ettelijke tienduizenden of zelfs honderdduizenden euro's van de hand.
...

Oldtimers zijn in. Kijk maar naar het grote aantal televisieprogramma's daarover op zenders zoals Discovery Channel en National Geographic. Die gaan vooral over auto's. Meestal gaat het dan niet enkel over het verzamelen of het bezitten van zulke voertuigen, maar ook over de verkoop, al dan niet na een verregaande restauratie. Bij veilinghuizen zoals Bonham's gaan die bolides voor ettelijke tienduizenden of zelfs honderdduizenden euro's van de hand. Klassiekers zijn al enige tijd interessante objecten om geld in te investeren. Zeker nu spaarboekjes nog nauwelijks nog iets opbrengen en de beurzen negatief reageren op crisissen, kijken mensen uit naar alternatieven om hun spaarcenten beter te doen renderen. Bernard Marreyt van Marreyt Classic Cars in Aalst is al dertig jaar actief in de oldtimersector. In die periode zijn de prijzen altijd blijven stijgen, zegt hij: "Het is een mooie, voortdurende stijging. Geen enkele andere belegging heeft zo'n mooi parcours afgelegd." De grote kleppers die de nieuwspagina's halen, spreken tot de verbeelding. Onlangs veilde het Amerikaanse Gooding & Company in Engeland een Bugatti Type 59 Sports uit 1934. Die racewagen, die voor koning Leopold III werd aangepast om te kunnen rijden op de openbare weg, haalde een prijs van 10,7 miljoen euro (inclusief commissie). Zulke prijzen zijn uiteraard niet voor alle oldtimers weggelegd. Deze wagen had alles om uniek te zijn: het merk (Bugatti), het type (er is er maar één van) en een illustere eerste eigenaar. "Die auto is een deel van het Belgische patrimonium en maakte deel uit van een Belgische verzameling. De verzamelaar is een kenner, die een mooie collectie heeft opgebouwd", verklaart Marreyt. "Hij heeft vijftien auto's laten veilen, die allemaal voor recordbedragen zijn weggegaan." Een auto of een motor waar een verhaal achter zit, kan een interessante prijs halen. Van een vooroorlogse auto of motor zijn meestal maar enkele exemplaren overgebleven. Ook dat drijft de prijs de hoogte in. En voor een groot merk wordt meer neergeteld dan voor een obscure fabrikant. De in massa geproduceerde wagens van de jaren zeventig en tachtig zijn voor de liefhebber leuk, maar door de grote productieaantallen is de waarde laag. Tenzij er iets speciaals aan is: het eerste bouwjaar, het laatste bouwjaar of een beroemde voormalige eigenaar. In al die gevallen gaat het om zogenoemde high-end cars. In hetzelfde weekend van de Gooding-veiling vond in het automuseum Autoworld in Brussel een veiling van het Britse veilinghuis Bonham's plaats. Daar vielen de prijzen volgens Marreyt tegen. Het ging niet om exclusieve exemplaren, maar om lower-end classics, ook wel bread & butter classics genoemd. De investeerder heeft meer oog voor de high-end classics. De liefhebber koopt anders. Marreyt neemt het voorbeeld van de Jaguar E-type uit de jaren zestig. "Mensen die nu zo'n auto kopen, zijn vijftig tot zestig jaar en hebben die wagen als puber nog zien rijden", zegt Marreyt. De coronamalaise heeft de prijzen van zo'n Jaguar wel onder druk gezet. Al is dat relatief. De allervroegste E-type was een flat floor, maar dat was niet comfortabel. Daarom werd al snel besloten de vloer een inzinking of footwell te geven. Van die flat floors zijn maar enkele honderden exemplaren gebouwd. Een flat floor was enkele jaren geleden 250.000 euro waard, nu is dat door het corona-effect nog 200.000 euro. De E-type outside bonnet-lock, met een van buiten af te sluiten motorkap, is een andere veel gezochte uitvoering van de E-type. De prijzen liepen op een gegeven moment op tot 350.000 euro. Nu halen ze nog 300.000 euro. "Dat is nog altijd veel geld voor de liefhebber", aldus Marreyt. "Wie nu centen op de bank heeft, zal wellicht twijfelen om zijn geld in zo'n auto te steken. Maar ik zeg: doen. Ik begrijp die voorzichtigheid, maar op lange termijn zal de prijs weer stijgen. Misschien is het nu juist het goede moment om van de aarzeling in de markt te profiteren. Ik ben ervan overtuigd dat zo'n E-type nog een mooie toekomst heeft." Niet iedereen heeft enkele honderdduizenden euro's veil voor zo'n klassieker. Er zijn ook mooie wagens te vinden voor een paar tienduizenden euro's. Meestal gaat het dan om youngtimers. Dat is de vakterm voor wagens uit de jaren tachtig en negentig. Het Britse magazine Classic & Sports Car maakte in december 2019 een lijst op van zulke jonge wagens met een financieel groeipotentieel. Daarin stonden onder meer de Peugeot 305 GTi (geschat op maximaal 17.000 euro), de Ford Capri 2.8i Special (ruim 15.000 euro), de Mazda RX-7 (20.000 euro), de Volvo 1800 ES (ruim 20.000 euro) en de Alfa Romer Spider Serie 2 (boven 25.000 euro). Marreyt wijst op een alternatief voor wie 10.000 euro overheeft voor een klassieker: een mooie oude motor. Dat is het terrein van Hans Devos van HD Classic. In de ruim veertig jaar dat hij klassieke motoren verkoopt, zijn de prijzen nooit gedaald, zegt hij: "Er is wel eens een stagnatie geweest, maar voor het overige was er altijd een stijging." Ook bij de motoren zijn er klassiekers die veel geld opbrengen. Al is dat in vergelijking met de auto's relatief. De 50 cc Honda Monkey die de Beatle John Lennon in 1969 kocht, is twee jaar geleden afgehamerd op 56.250 pond (ruim 63.000 euro). Aan het begin van de coronacrisis zijn vooral veel duurdere klassieke motoren verkocht, weet Devos. "Motoren die af zijn, geen projecten (die een restauratie ondergaan, nvdr)", verklaart hij. "Op het internet zag je dat veel mensen aan projecten werkten. Toen de beurzen het na twee maanden lockdown weer beter deden, viel de verkoop van de duurdere motoren wat stil en werden de projecten aangeboden." Aan wie een klassieke motor wil kopen als investering, raadt Devos een vooroorlogs exemplaar aan. Daar zijn er minder van over. "Van motoren van de jaren vijftig vind je na een beetje zoeken op het internet zeker dertig exemplaren van een bepaald type." In de jaren zestig en zeventig bliezen de Japanse fabrikanten de motormarkt nieuw leven in. De oude Europese merken hebben daar zwaar onder geleden. Klassieke Japanse motoren zijn in grote aantallen beschikbaar. Dat houdt de prijzen redelijk, maar voor bepaalde types zijn ze intussen ook aan het stijgen. Een Honda viercilinder CB750 van het eerste bouwjaar 1969 staat nu te koop voor 15.000 à 20.000 euro. Een Kawasaki viercilinder Z900 uit 1972 doet daar niet voor onder. Devos zegt dat de prijzen voor motoren door de jaren flink gestegen zijn. Als voorbeeld noemt hij de Gillet-motoren die destijds in het leger werden gebruikt. "Indertijd kocht de motorhandelaar Leon Lieckens die op. Je kon er al een kopen voor 5000 frank. Na verloop van tijd verkocht hij ze voor 14.000 à 15.000 frank. Lieckens is zot geworden, zeiden ze toen. Nu betaal je voor zo'n motor 4000 tot 5000 euro." Behalve het verschil in waarde is er nog een verschil tussen klassieke auto's en motoren. "Een auto staat al snel in de weg. Een motor neemt minder plaats in", zegt Hans Devos. "Of hij krijgt een plek in de woonkamer, met een spotje erop gericht, omdat hij gewoon mooi is."